Vertaling van uitstellen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
uitstellen, aanhouden, verschuiven, verdagen {ww.}
uitstellen
aanhouden
verschuiven
verdagen {ww.}

ik zal aanhouden
ik zou aanhouden
jij zult aanhouden

ik zal uitstellen
ik zou uitstellen
jij zult uitstellen
» meer vervoegingen van uitstellen

Je kan het niet langer uitstellen.
Je kan het niet langer uitstellen.
De regen bleef de ganse nacht door aanhouden.
De regen bleef de ganse nacht door aanhouden.
uitstellen, schorsen, opschorten {ww.}
uitstellen
schorsen
opschorten {ww.}

ik zal opschorten
ik zou opschorten
jij zult opschorten

ik zal uitstellen
ik zou uitstellen
jij zult uitstellen
» meer vervoegingen van uitstellen

Ik zal mijn reis naar Schotland uitstellen tot het warmer is.
Ik zal mijn reis naar Schotland uitstellen tot het warmer is.
Hef elk oponthoud op, voor wie voorbereid is, is uitstellen altijd schadelijk geweest.
Hef elk oponthoud op, voor wie voorbereid is, is uitstellen altijd schadelijk geweest.
uitstellen, aanhouden, vertragen, verschuiven, opschuiven {ww.}
uitstellen
aanhouden
vertragen
verschuiven
opschuiven {ww.}

ik zal aanhouden
ik zou aanhouden
jij zult aanhouden

ik zal uitstellen
ik zou uitstellen
jij zult uitstellen
» meer vervoegingen van uitstellen

Zoals altijd kon ik slechts hopen dat de politie me niet zou aanhouden.
Zoals altijd kon ik slechts hopen dat de politie me niet zou aanhouden.


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Je kan het niet langer uitstellen.

Je kan het niet langer uitstellen.

Ik zal mijn reis naar Schotland uitstellen tot het warmer is.

Ik zal mijn reis naar Schotland uitstellen tot het warmer is.

Hef elk oponthoud op, voor wie voorbereid is, is uitstellen altijd schadelijk geweest.

Hef elk oponthoud op, voor wie voorbereid is, is uitstellen altijd schadelijk geweest.


Gerelateerd aan uitstellen

aanhouden - verschuiven - verdagen - schorsen - opschorten - vertragen - opschuivenlaten