Vertaling van vegeteren
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
vegeteren {ww.}
vegeteren {ww.}
ik vegeteer
jij vegeteert
hij/zij/het vegeteert
ik vegeteer
jij vegeteert
hij/zij/het vegeteert
» meer vervoegingen van vegeteren
groeien, vegeteren {ww.}
groeien
vegeteren {ww.}
vegeteren {ww.}
ik groei
jij groeit
hij/zij/het groeit
ik groei
jij groeit
hij/zij/het groeit
» meer vervoegingen van groeien
Sinaasappels groeien in warme landen.
Sinaasappels groeien in warme landen.
Planten groeien snel na regen.
Planten groeien snel na regen.
uitvreten, parasiteren, vegeteren, klaplopen {ww.}
uitvreten
parasiteren
vegeteren
klaplopen {ww.}
parasiteren
vegeteren
klaplopen {ww.}
ik parasiteer
jij parasiteert
hij/zij/het parasiteert
ik vreet uit
jij vreet uit
hij/zij/het vreet uit
» meer vervoegingen van uitvreten