Vertaling van leven

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
leven {ww.}
leven {ww.}

ik leef
jij leeft
hij/zij/het leeft

ik leef
jij leeft
hij/zij/het leeft
» meer vervoegingen van leven

Leven en laten leven.
Leven en laten leven.
Dat is het leven.
Dat is het leven.
leven, lawaai, herrie [v], kabaal, rumoer, ophef {zn.}
leven
lawaai
herrie [v]
kabaal
rumoer
ophef {zn.}
Hij klaagde over de herrie.
Hij klaagde over de herrie.
Maak geen lawaai.
Maak geen lawaai.
leven, hachje [o] {zn.}
leven
hachje [o] {zn.}
Het leven gaat verder.
Het leven gaat verder.
Ren voor je leven!
Ren voor je leven!
leven {zn.}
leven {zn.}
Het leven is prachtig!
Het leven is prachtig!
leven {ww.}
leven {ww.}

ik leef
jij leeft
hij/zij/het leeft

ik leef
jij leeft
hij/zij/het leeft
» meer vervoegingen van leven

leven {ww.}
leven {ww.}

ik leef
jij leeft
hij/zij/het leeft

ik leef
jij leeft
hij/zij/het leeft
» meer vervoegingen van leven

leven {ww.}
leven {ww.}

ik leef
jij leeft
hij/zij/het leeft

ik leef
jij leeft
hij/zij/het leeft
» meer vervoegingen van leven

leven [o] (het ~), wereld [m] (de ~), omgeving [v] (de ~), kring, scene [m] (de ~), leefwereld [m] (de ~), milieu [o] (het ~) {zn.}
leven [o] (het ~)
wereld [m] (de ~)
omgeving [v] (de ~)
kring
scene [m] (de ~)
leefwereld [m] (de ~)
milieu [o] (het ~) {zn.}
Iedereen kan een verschil maken in zijn eigen leven en daarmee gezamenlijk de wereld een betere plaats maken voor zichzelf en anderen om zich heen.
Iedereen kan een verschil maken in zijn eigen leven en daarmee gezamenlijk de wereld een betere plaats maken voor zichzelf en anderen om zich heen.
Hallo wereld!
Hallo wereld!
leven {zn.}
leven {zn.}
leven [o] (het ~), aanzijn, voortbestaan [o] (het ~) {zn.}
leven [o] (het ~)
aanzijn
voortbestaan [o] (het ~) {zn.}
leven {zn.}
leven {zn.}
bestaan, leven {ww.}
bestaan
leven {ww.}

ik besta
jij bestaat
hij/zij/het bestaat

ik besta
jij bestaat
hij/zij/het bestaat
» meer vervoegingen van bestaan

lawaai [o] (het ~), herrie [m] (de ~), kabaal [o] (het ~), leven [o] (het ~) {zn.}
lawaai [o] (het ~)
herrie [m] (de ~)
kabaal [o] (het ~)
leven [o] (het ~) {zn.}
levenswijze, leefstijl [m] (de ~), leefvorm, leefwijze [m] (de ~), levensstijl [m] (de ~), levenswandel [m] (de ~), way of life, leven {zn.}
levenswijze
leefstijl [m] (de ~)
leefvorm
leefwijze [m] (de ~)
levensstijl [m] (de ~)
levenswandel [m] (de ~)
way of life
leven {zn.}


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Leven en laten leven.

Leven en laten leven.

Dat is het leven.

Dat is het leven.

Het leven gaat verder.

Het leven gaat verder.

Ren voor je leven!

Ren voor je leven!

Het leven is prachtig!

Het leven is prachtig!

Dat is het leven.

Dat is het leven.

Beide ouders leven nog.

Beide ouders leven nog.

We leven in vrede.

We leven in vrede.

Zoek een leven, man.

Zoek een leven, man.

Het leven is vreemd.

Het leven is vreemd.

Twintig families leven hier.

Twintig families leven hier.

Ze leven in armoede.

Ze leven in armoede.

Het leven is oneerlijk.

Het leven is oneerlijk.

Het leven is kort.

Het leven is kort.

Het leven is oneerlijk.

Het leven is oneerlijk.


Gerelateerd aan leven

lawaai - herrie - kabaal - rumoer - ophef - hachje - wereld - omgeving - kring - scene - leefwereld - milieu - aanzijn - voortbestaan - bestaanpasseren - zijn - kring - existentie - deel - aanhouden - geluid - wijze