Vertaling van wel

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
wel, gezondheid [v], goede gezondheid [v], welzijn, welvaren, welstand {zn.}
wel
gezondheid [v]
goede gezondheid [v]
welzijn
welvaren
welstand {zn.}
Hij is in goede gezondheid.
Hij is in goede gezondheid.
Slaap is nodig voor een goede gezondheid.
Slaap is nodig voor een goede gezondheid.
wel [v], bron [v], welput [m] {zn.}
wel [v]
bron [v]
welput [m] {zn.}
Wel wel! Hoe hebt ge dat gedaan?
Wel wel! Hoe hebt ge dat gedaan?
Bron en oorsprong
Bron en oorsprong
immers, toch, wel, zeker, ook {bw.}
immers
toch
wel
zeker
ook {bw.}
vermoedelijk, wel, zeker {bw.}
vermoedelijk
wel
zeker {bw.}
al, ofschoon, wel, hoewel, alhoewel {vw.}
al
ofschoon
wel
hoewel
alhoewel {vw.}
allicht, vast, waarschijnlijk, wel, zeker {bw.}
allicht
vast
waarschijnlijk
wel
zeker {bw.}
weliswaar, wel
weliswaar
wel
gezond, wel {bn.}
gezond
wel {bn.}
allicht, vast, waarschijnlijk, wel, zeker {bw.}
allicht
vast
waarschijnlijk
wel
zeker {bw.}
enfin, nou, wel, welaan, welnu, zo {tw}
enfin
nou
wel
welaan
welnu
zo {tw}
niet minder dan, wel
niet minder dan
wel
wellen, voortkomen, opborrelen, opwellen, ontspringen {ww.}
wellen
voortkomen
opborrelen
opwellen
ontspringen {ww.}

ik ontspring
jij ontspringt
hij/zij/het ontspringt

ik wel
jij welt
hij/zij/het welt
» meer vervoegingen van wellen

wellen, lassen {ww.}
wellen
lassen {ww.}

ik las
jij last
hij/zij/het last

ik wel
jij welt
hij/zij/het welt
» meer vervoegingen van wellen

opkoken, wellen {ww.}
opkoken
wellen {ww.}

ik kook op
jij kookt op
hij/zij/het kookt op

ik kook op
jij kookt op
hij/zij/het kookt op
» meer vervoegingen van opkoken

opwellen, wellen {ww.}
opwellen
wellen {ww.}

hij/zij/het welt op
zij wellen op
ik wel

hij/zij/het welt
zij wellen
ik wel
» meer vervoegingen van wellen

wellen {ww.}
wellen {ww.}

ik wel
jij welt
hij/zij/het welt

ik wel
jij welt
hij/zij/het welt
» meer vervoegingen van wellen

wellen {ww.}
wellen {ww.}

ik wel
jij welt
hij/zij/het welt

ik wel
jij welt
hij/zij/het welt
» meer vervoegingen van wellen

wellen {ww.}
wellen {ww.}

ik wel
jij welt
hij/zij/het welt

ik wel
jij welt
hij/zij/het welt
» meer vervoegingen van wellen



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Wel wel! Hoe hebt ge dat gedaan?

Wel wel! Hoe hebt ge dat gedaan?

Dank je wel!

Dank je wel!

Is dat wel goed?

Is dat wel goed?

Wel nu nog mooier!

Wel nu nog mooier!

Ik mag hem wel.

Ik mag hem wel.

Dank je wel!

Dank je wel!

Ik denk van wel.

Ik denk van wel.

Dank u wel, dokter.

Dank u wel, dokter.

Ik wist het wel.

Ik wist het wel.

Ik moet wel getikt zijn.

Ik moet wel getikt zijn.

Ik moet wel dingen zien.

Ik moet wel dingen zien.

Hij lijkt wel een skelet.

Hij lijkt wel een skelet.

Hij is jong, maar wel heel intelligent.

Hij is jong, maar wel heel intelligent.

Ik zal wel een fout gemaakt hebben.

Ik zal wel een fout gemaakt hebben.

Ik breng u wel naar het vliegveld.

Ik breng u wel naar het vliegveld.


Gerelateerd aan wel

gezondheid - goede gezondheid - welzijn - welvaren - welstand - bron - welput - immers - toch - zeker - ook - vermoedelijk - al - ofschoon - hoewelopkomen - weken - verhit