Vertaling van wel
gezondheid
goede gezondheid
welzijn
welvaren
welstand {zn.}
bron
welput {zn.}
toch
wel
zeker
ook {bw.}
wel
zeker {bw.}
ofschoon
wel
hoewel
alhoewel {vw.}
vast
waarschijnlijk
wel
zeker {bw.}
wel
wel {bn.}
vast
waarschijnlijk
wel
zeker {bw.}
nou
wel
welaan
welnu
zo {tw}
wel
voortkomen
opborrelen
opwellen
ontspringen {ww.}
ik ontspring
jij ontspringt
hij/zij/het ontspringt
ik wel
jij welt
hij/zij/het welt
» meer vervoegingen van wellen
lassen {ww.}
ik las
jij last
hij/zij/het last
ik wel
jij welt
hij/zij/het welt
» meer vervoegingen van wellen
wellen {ww.}
ik kook op
jij kookt op
hij/zij/het kookt op
ik kook op
jij kookt op
hij/zij/het kookt op
» meer vervoegingen van opkoken
wellen {ww.}
hij/zij/het welt op
zij wellen op
ik wel
hij/zij/het welt
zij wellen
ik wel
» meer vervoegingen van wellen
ik wel
jij welt
hij/zij/het welt
ik wel
jij welt
hij/zij/het welt
» meer vervoegingen van wellen
ik wel
jij welt
hij/zij/het welt
ik wel
jij welt
hij/zij/het welt
» meer vervoegingen van wellen
ik wel
jij welt
hij/zij/het welt
ik wel
jij welt
hij/zij/het welt
» meer vervoegingen van wellen
Voorbeelden in zinsverband
Wel wel! Hoe hebt ge dat gedaan?
Wel wel! Hoe hebt ge dat gedaan?
Dank je wel!
Dank je wel!
Is dat wel goed?
Is dat wel goed?
Wel nu nog mooier!
Wel nu nog mooier!
Ik mag hem wel.
Ik mag hem wel.
Dank je wel!
Dank je wel!
Ik denk van wel.
Ik denk van wel.
Dank u wel, dokter.
Dank u wel, dokter.
Ik wist het wel.
Ik wist het wel.
Ik moet wel getikt zijn.
Ik moet wel getikt zijn.
Ik moet wel dingen zien.
Ik moet wel dingen zien.
Hij lijkt wel een skelet.
Hij lijkt wel een skelet.
Hij is jong, maar wel heel intelligent.
Hij is jong, maar wel heel intelligent.
Ik zal wel een fout gemaakt hebben.
Ik zal wel een fout gemaakt hebben.
Ik breng u wel naar het vliegveld.
Ik breng u wel naar het vliegveld.