Vertaling van weken

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
weken, weekmaken, in de week zetten {ww.}
weken
weekmaken
in de week zetten {ww.}

ik week
jij weekt
hij/zij/het weekt

ik week
jij weekt
hij/zij/het weekt
» meer vervoegingen van weken

Drie weken gingen voorbij.
Drie weken gingen voorbij.
Het koude weer duurde voor drie weken.
Het koude weer duurde voor drie weken.
weken {ww.}
weken {ww.}

ik week
jij weekt
hij/zij/het weekt

ik week
jij weekt
hij/zij/het weekt
» meer vervoegingen van weken

Japanse middelbareschoolleerlingen gaan 35 weken per jaar naar school.
Japanse middelbareschoolleerlingen gaan 35 weken per jaar naar school.
We waren van plan om daar ongeveer twee weken te blijven.
We waren van plan om daar ongeveer twee weken te blijven.
weken, inweken {ww.}
weken
inweken {ww.}

ik week in
jij weekt in
hij/zij/het weekt in

ik week
jij weekt
hij/zij/het weekt
» meer vervoegingen van weken

Er zijn al twee weken voorbij, en ik heb u niet gezien.
Er zijn al twee weken voorbij, en ik heb u niet gezien.
weken, inweken {ww.}
weken
inweken {ww.}

ik week in
jij weekt in
hij/zij/het weekt in

ik week
jij weekt
hij/zij/het weekt
» meer vervoegingen van weken

week, weken {zn.}
week
weken {zn.}
Het regende een week lang.
Het regende een week lang.
De vredesonderhandelingen beginnen deze week.
De vredesonderhandelingen beginnen deze week.
toegeven, afstaan, wijken {ww.}
toegeven
afstaan
wijken {ww.}

ik stond af
jij stond af
hij/zij/het stond af

ik gaf toe
jij gaf toe
hij/zij/het gaf toe
» meer vervoegingen van toegeven

aflaten, ophouden, stoppen, uitscheiden, wijken {ww.}
aflaten
ophouden
stoppen
uitscheiden
wijken {ww.}

ik liet af
jij liet af
hij/zij/het liet af

ik liet af
jij liet af
hij/zij/het liet af
» meer vervoegingen van aflaten

week (mv. weken) {zn.}
week (mv. weken) {zn.}
week (mv. weken) {bn.}
week (mv. weken) {bn.}
'm smeren, verdwijnen, wijken, verzwinden, zwinden {ww.}
'm smeren
verdwijnen
wijken
verzwinden
zwinden {ww.}
mals, murw, week (mv. weken), zacht {bn.}
mals
murw
week (mv. weken)
zacht {bn.}
verdwijnen, eclipseren, verzwinden, wijken, weggaan {ww.}
verdwijnen
eclipseren
verzwinden
wijken
weggaan {ww.}

ik eclipseerde
jij eclipseerde
hij/zij/het eclipseerde

ik verdween
jij verdween
hij/zij/het verdween
» meer vervoegingen van verdwijnen

wijken {ww.}
wijken {ww.}

ik week
jij week
hij/zij/het week

ik week
jij week
hij/zij/het week
» meer vervoegingen van wijken

wijken, achteruitwijken {ww.}
wijken
achteruitwijken {ww.}

ik week achteruit
jij week achteruit
hij/zij/het week achteruit

ik week
jij week
hij/zij/het week
» meer vervoegingen van wijken

week [m] (de ~) {zn.}
week [m] (de ~) {zn.}
Het bleef een week regenen.
Het bleef een week regenen.
Bill komt volgende week terug.
Bill komt volgende week terug.
week [m] (de ~) {zn.}
week [m] (de ~) {zn.}
Ze doen het elke week.
Ze doen het elke week.
week (mv. weken) {bn.}
week (mv. weken) {bn.}
sentimenteel, weeïg, week (mv. weken) {bn.}
sentimenteel
weeïg
week (mv. weken) {bn.}
karakterloos, soft, week (mv. weken), slap, zwak, halfzacht {bn.}
karakterloos
soft
week (mv. weken)
slap
zwak
halfzacht {bn.}


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Drie weken gingen voorbij.

Drie weken gingen voorbij.

Het koude weer duurde voor drie weken.

Het koude weer duurde voor drie weken.

Japanse middelbareschoolleerlingen gaan 35 weken per jaar naar school.

Japanse middelbareschoolleerlingen gaan 35 weken per jaar naar school.

We waren van plan om daar ongeveer twee weken te blijven.

We waren van plan om daar ongeveer twee weken te blijven.

Er zijn al twee weken voorbij, en ik heb u niet gezien.

Er zijn al twee weken voorbij, en ik heb u niet gezien.

Als je anjers 7Up geeft in plaats van water, staan ze veel langer - vaak wel drie of vier weken.

Als je anjers 7Up geeft in plaats van water, staan ze veel langer - vaak wel drie of vier weken.

Als ik je wilde bang maken, zou ik je vertellen waar ik een paar weken geleden over gedroomd heb.

Als ik je wilde bang maken, zou ik je vertellen waar ik een paar weken geleden over gedroomd heb.