Vertaling van wijken

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
wijken {ww.}
wijken {ww.}

ik wijk
jij wijkt
hij/zij/het wijkt

ik wijk
jij wijkt
hij/zij/het wijkt
» meer vervoegingen van wijken

stoppen, ophouden, wijken, uitscheiden, aflaten {ww.}
stoppen
ophouden
wijken
uitscheiden
aflaten {ww.}

ik laat af
jij laat af
hij/zij/het laat af

ik stop
jij stopt
hij/zij/het stopt
» meer vervoegingen van stoppen

Het regende zonder ophouden.
Het regende zonder ophouden.
Laat ons ophouden.
Laat ons ophouden.
toegeven, wijken, afstaan {ww.}
toegeven
wijken
afstaan {ww.}

ik sta af
jij staat af
hij/zij/het staat af

ik geef toe
jij geeft toe
hij/zij/het geeft toe
» meer vervoegingen van toegeven

Ik moet toegeven dat ik een beetje medelijden met mezelf begon te krijgen.
Ik moet toegeven dat ik een beetje medelijden met mezelf begon te krijgen.
Het gaat hem niet best af, maar je moet toch toegeven dat hij zijn best doet.
Het gaat hem niet best af, maar je moet toch toegeven dat hij zijn best doet.
verdwijnen, zwinden, verzwinden, wijken, 'm smeren {ww.}
verdwijnen
zwinden
verzwinden
wijken
'm smeren {ww.}
Bepaalde diersoorten zijn snel aan het verdwijnen.
Bepaalde diersoorten zijn snel aan het verdwijnen.
Mijn geld schijnt aan het eind van de maand te verdwijnen.
Mijn geld schijnt aan het eind van de maand te verdwijnen.
buurt [v], wijk (mv. wijken), stadswijk {zn.}
buurt [v]
wijk (mv. wijken)
stadswijk {zn.}
Hij woont in deze wijk.
Hij woont in deze wijk.
Ik wijk voor niets
Ik wijk voor niets
gracht, kanaal [o], vaart, wijk (mv. wijken) {zn.}
gracht
kanaal [o]
vaart
wijk (mv. wijken) {zn.}
Wijk {eigenn.}
Wijk {eigenn.}
Wijk bij Duurstede, Wijk {eigenn.}
Wijk bij Duurstede
Wijk {eigenn.}
achteruitwijken, wijken {ww.}
achteruitwijken
wijken {ww.}

ik wijk achteruit
jij wijkt achteruit
hij/zij/het wijkt achteruit

ik wijk achteruit
jij wijkt achteruit
hij/zij/het wijkt achteruit
» meer vervoegingen van achteruitwijken

weggaan, verdwijnen, wijken, verzwinden, eclipseren {ww.}
weggaan
verdwijnen
wijken
verzwinden
eclipseren {ww.}

ik eclipseer
jij eclipseert
hij/zij/het eclipseert

ik ga weg
jij gaat weg
hij/zij/het gaat weg
» meer vervoegingen van weggaan

Laten we weggaan.
Laten we weggaan.
Ik wil weggaan.
Ik wil weggaan.
buurt, wijk [m] (de ~), kwartier [o] (het ~), stadsdeel [o] (het ~), sectie [v] (de ~) {zn.}
buurt
wijk [m] (de ~)
kwartier [o] (het ~)
stadsdeel [o] (het ~)
sectie [v] (de ~) {zn.}
Kastanjes moeten minimaal een kwartier gekookt worden.
Kastanjes moeten minimaal een kwartier gekookt worden.
Ik wijk voor niemand
Ik wijk voor niemand
wijk (mv. wijken) {zn.}
wijk (mv. wijken) {zn.}
vlucht [m] (de ~), wijk (mv. wijken) [m] (de ~) {zn.}
vlucht [m] (de ~)
wijk (mv. wijken) [m] (de ~) {zn.}


Gerelateerd aan wijken

stoppen - ophouden - uitscheiden - aflaten - toegeven - afstaan - verdwijnen - zwinden - verzwinden - 'm smeren - buurt - wijk - stadswijk - gracht - kanaalafwijken - toegeven - veranderen - deel - vertrek