Vertaling van week

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
week {bn.}
week {bn.}
week, weken {zn.}
week
weken {zn.}
Drie weken gingen voorbij.
Drie weken gingen voorbij.
Het regende een week lang.
Het regende een week lang.
week {bn.}
week {bn.}
week [m] (de ~) {zn.}
week [m] (de ~) {zn.}
De vredesonderhandelingen beginnen deze week.
De vredesonderhandelingen beginnen deze week.
Het bleef een week regenen.
Het bleef een week regenen.
week [m] (de ~) {zn.}
week [m] (de ~) {zn.}
Bill komt volgende week terug.
Bill komt volgende week terug.
Ze doen het elke week.
Ze doen het elke week.
mals, murw, week, zacht {bn.}
mals
murw
week
zacht {bn.}
toegeven, afstaan, wijken {ww.}
toegeven
afstaan
wijken {ww.}

ik stond af
jij stond af
hij/zij/het stond af

ik gaf toe
jij gaf toe
hij/zij/het gaf toe
» meer vervoegingen van toegeven

stoppen, ophouden, wijken, uitscheiden, aflaten {ww.}
stoppen
ophouden
wijken
uitscheiden
aflaten {ww.}

ik liet af
jij liet af
hij/zij/het liet af

ik stopte
jij stopte
hij/zij/het stopte
» meer vervoegingen van stoppen

Het regende zonder ophouden.
Het regende zonder ophouden.
Laat ons ophouden.
Laat ons ophouden.
in de week zetten, weekmaken, weken {ww.}
in de week zetten
weekmaken
weken {ww.}

ik week
jij weekt
hij/zij/het weekt

ik week
jij weekt
hij/zij/het weekt
» meer vervoegingen van weken

'm smeren, verdwijnen, wijken, verzwinden, zwinden {ww.}
'm smeren
verdwijnen
wijken
verzwinden
zwinden {ww.}
sentimenteel, weeïg, week {bn.}
sentimenteel
weeïg
week {bn.}
karakterloos, soft, week, slap, zwak, halfzacht {bn.}
karakterloos
soft
week
slap
zwak
halfzacht {bn.}
achteruitwijken, wijken {ww.}
achteruitwijken
wijken {ww.}

ik week achteruit
jij week achteruit
hij/zij/het week achteruit

ik week achteruit
jij week achteruit
hij/zij/het week achteruit
» meer vervoegingen van achteruitwijken

verdwijnen, eclipseren, verzwinden, wijken, weggaan {ww.}
verdwijnen
eclipseren
verzwinden
wijken
weggaan {ww.}

ik eclipseerde
jij eclipseerde
hij/zij/het eclipseerde

ik verdween
jij verdween
hij/zij/het verdween
» meer vervoegingen van verdwijnen

wijken {ww.}
wijken {ww.}

ik week
jij week
hij/zij/het week

ik week
jij week
hij/zij/het week
» meer vervoegingen van wijken

weken {ww.}
weken {ww.}

ik week
jij weekt
hij/zij/het weekt

ik week
jij weekt
hij/zij/het weekt
» meer vervoegingen van weken

Het koude weer duurde voor drie weken.
Het koude weer duurde voor drie weken.
Japanse middelbareschoolleerlingen gaan 35 weken per jaar naar school.
Japanse middelbareschoolleerlingen gaan 35 weken per jaar naar school.
weken, inweken {ww.}
weken
inweken {ww.}

ik week in
jij weekt in
hij/zij/het weekt in

ik week
jij weekt
hij/zij/het weekt
» meer vervoegingen van weken

Er zijn al twee weken voorbij, en ik heb u niet gezien.
Er zijn al twee weken voorbij, en ik heb u niet gezien.
We waren van plan om daar ongeveer twee weken te blijven.
We waren van plan om daar ongeveer twee weken te blijven.
inweken, weken {ww.}
inweken
weken {ww.}

ik week in
jij weekt in
hij/zij/het weekt in

ik week in
jij weekt in
hij/zij/het weekt in
» meer vervoegingen van inweken



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Het regende een week lang.

Het regende een week lang.

De vredesonderhandelingen beginnen deze week.

De vredesonderhandelingen beginnen deze week.

Het bleef een week regenen.

Het bleef een week regenen.

Bill komt volgende week terug.

Bill komt volgende week terug.

Ze doen het elke week.

Ze doen het elke week.

Over een week of twee.

Over een week of twee.

Ik zal volgende week mijn oom bezoeken.

Ik zal volgende week mijn oom bezoeken.

Volgende week gaat het misschien vriezen.

Volgende week gaat het misschien vriezen.

Ons thema van de week is: _____.

Ons thema van de week is: _____.

Ik heb veel gewerkt deze week.

Ik heb veel gewerkt deze week.

Hij heeft een week vrij genomen.

Hij heeft een week vrij genomen.

Hij schrijft mij eens per week.

Hij schrijft mij eens per week.

Deze foto heb ik vorige week gemaakt.

Deze foto heb ik vorige week gemaakt.

Ik bel je binnen een week.

Ik bel je binnen een week.

Zij gaat volgende week naar Frankrijk.

Zij gaat volgende week naar Frankrijk.