Vertaling van zich bukken
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
buigen, zich bukken, bukken {ww.}
buigen
zich bukken
bukken {ww.}
zich bukken
bukken {ww.}
Ik kan mijn handpalmen op de vloer plaatsen zonder mijn knieën te buigen.
Ik kan mijn handpalmen op de vloer plaatsen zonder mijn knieën te buigen.
buigen, zich bukken, overhellen, hellen, aflopen {ww.}
buigen
zich bukken
overhellen
hellen
aflopen {ww.}
zich bukken
overhellen
hellen
aflopen {ww.}