Vertaling van andar

Inhoud:

Portugees
Nederlands
andar, caminhar, marchar {ww.}
lopen 
marcheren
Temos que caminhar mais dez milhas antes do poente.
We moeten nog tien mijl lopen voor zonsondergang.
andar, ir, viajar, rodar {ww.}
gaan 
varen 
rijden
karren
Não quero ir sozinho.
Ik wil niet alleen gaan.
Precisamos ir à escola.
Wij moeten naar school gaan.
andar, pavimento {zn.}
verdieping  [v]
etage [v]
Em que andar você mora?
Op welke verdieping woont ge?
andar, caminhar, ir {ww.}
gaan 
lopen 
zich begeven
verlopen
van stapel lopen
Quero ir para Londres.
Ik wil naar Londen gaan.
Queria ir lá.
Ik wilde daar naartoe gaan.
andar, decorrer, passar-se {ww.}
verscheiden
sterven
vergaan
aftrekken 
andar, caminhar, dar um passo {ww.}
lopen 
treden
stappen
schrijden
passar, andar, estar {ww.}
het maken
gesteld zijn
caminhar, andar {ww.}
gaan 
voorbijgaan
een weg afleggen

Voorbeelden in zinsverband

Portugees
Nederlands

Em que andar você mora?

Op welke verdieping woont ge?

Eu moro no primeiro andar.

Ik woon gelijkvloers.

Aprendi a andar de bicicleta quando tinha seis anos de idade.

Ik heb leren fietsen toen ik zes was.


Gerelateerd aan andar

caminhar - marchar - ir - viajar - rodar - pavimento - decorrer - passar-se - dar um passo - passar - estar