Vervoeging van debiteren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik debiteer
    • jij debiteert
    • hij/zij/het debiteert
    • wij debiteren
    • jullie debiteren
    • zij debiteren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik debiteerde
    • jij debiteerde
    • hij/zij/het debiteerde
    • wij debiteerden
    • jullie debiteerden
    • zij debiteerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gedebiteerd
    • jij hebt gedebiteerd
    • hij/zij/het heeft gedebiteerd
    • wij hebben gedebiteerd
    • jullie hebben gedebiteerd
    • zij hebben gedebiteerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gedebiteerd
    • jij had gedebiteerd
    • hij/zij/het had gedebiteerd
    • wij hadden gedebiteerd
    • jullie hadden gedebiteerd
    • zij hadden gedebiteerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal debiteren
    • jij zult debiteren
    • hij/zij/het zal debiteren
    • wij zullen debiteren
    • jullie zullen debiteren
    • zij zullen debiteren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gedebiteerd hebben
    • jij zult gedebiteerd hebben
    • hij/zij/het zal gedebiteerd hebben
    • wij zullen gedebiteerd hebben
    • jullie zullen gedebiteerd hebben
    • zij zullen gedebiteerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou debiteren
    • jij zou debiteren
    • hij/zij/het zou debiteren
    • wij zouden debiteren
    • jullie zouden debiteren
    • zij zouden debiteren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gedebiteerd
    • jij zou hebben gedebiteerd
    • hij/zij/het zou hebben gedebiteerd
    • wij zouden hebben gedebiteerd
    • jullie zouden hebben gedebiteerd
    • zij zouden hebben gedebiteerd
  • Imperatief

    • jij debiteer
    • jullie debiteert

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van debiteren