Vervoeging van scharrelen

Onbepaalde wijs (infinitief): scharrelen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik scharrel
    • jij scharrelt
    • hij/zij/het scharrelt
    • wij scharrelen
    • jullie scharrelen
    • zij scharrelen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik scharrelde
    • jij scharrelde
    • hij/zij/het scharrelde
    • wij scharrelden
    • jullie scharrelden
    • zij scharrelden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gescharreld
    • jij hebt gescharreld
    • hij/zij/het heeft gescharreld
    • wij hebben gescharreld
    • jullie hebben gescharreld
    • zij hebben gescharreld
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gescharreld
    • jij had gescharreld
    • hij/zij/het had gescharreld
    • wij hadden gescharreld
    • jullie hadden gescharreld
    • zij hadden gescharreld
  • Toekomende tijd I

    • ik zal scharrelen
    • jij zult scharrelen
    • hij/zij/het zal scharrelen
    • wij zullen scharrelen
    • jullie zullen scharrelen
    • zij zullen scharrelen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gescharreld hebben
    • jij zult gescharreld hebben
    • hij/zij/het zal gescharreld hebben
    • wij zullen gescharreld hebben
    • jullie zullen gescharreld hebben
    • zij zullen gescharreld hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou scharrelen
    • jij zou scharrelen
    • hij/zij/het zou scharrelen
    • wij zouden scharrelen
    • jullie zouden scharrelen
    • zij zouden scharrelen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gescharreld
    • jij zou hebben gescharreld
    • hij/zij/het zou hebben gescharreld
    • wij zouden hebben gescharreld
    • jullie zouden hebben gescharreld
    • zij zouden hebben gescharreld
  • Imperatief

    • jij scharrel
    • jullie scharrelt

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van scharrelen