Vervoeging van spuiten


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik spuit
    • jij spuit
    • hij/zij/het spuit
    • wij spuiten
    • jullie spuiten
    • zij spuiten
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik spoot
    • jij spoot
    • hij/zij/het spoot
    • wij spoten
    • jullie spoten
    • zij spoten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gespoten
    • jij hebt gespoten
    • hij/zij/het heeft gespoten
    • wij hebben gespoten
    • jullie hebben gespoten
    • zij hebben gespoten
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gespoten
    • jij had gespoten
    • hij/zij/het had gespoten
    • wij hadden gespoten
    • jullie hadden gespoten
    • zij hadden gespoten
  • Toekomende tijd I

    • ik zal spuiten
    • jij zult spuiten
    • hij/zij/het zal spuiten
    • wij zullen spuiten
    • jullie zullen spuiten
    • zij zullen spuiten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gespoten hebben
    • jij zult gespoten hebben
    • hij/zij/het zal gespoten hebben
    • wij zullen gespoten hebben
    • jullie zullen gespoten hebben
    • zij zullen gespoten hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou spuiten
    • jij zou spuiten
    • hij/zij/het zou spuiten
    • wij zouden spuiten
    • jullie zouden spuiten
    • zij zouden spuiten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gespoten
    • jij zou hebben gespoten
    • hij/zij/het zou hebben gespoten
    • wij zouden hebben gespoten
    • jullie zouden hebben gespoten
    • zij zouden hebben gespoten
  • Imperatief

    • jij spuit
    • jullie spuit

Verwijzingen

Bekijk 5 definitie(s) van spuiten