Betekenis van:
spuiten

spuiten
Werkwoord
  • (een vloeistof) met kracht door een nauwe opening naar buiten persen
"water in iemands gezicht spuiten"
"auto spuiten"

Hyperoniemen

spuiten
Werkwoord
  • met kracht door een nauwe opening naar buiten geperst worden
"het water spoot uit de kapotte leiding"

Hyperoniemen

spuiten
Werkwoord
  • onder druk een vloeistof snel door een nauwe opening doen uitstromen
"Hij spoot rode verf op de muur."
spuiten
Werkwoord
  • het proces van snelle uitstroming van een vloeistof onder druk
"Het water spoot uit het gat in het vat."
spuiten
Werkwoord
  • een injectie geven
"heroïne/insuline spuiten"
"hij spuit al sinds z'n zestiende"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

spuiten
Werkwoord
  • mbt. walvissen

Hyperoniemen

Hyponiemen

spuiten
Werkwoord
  • zaad uitstorten

Synoniemen

Hyperoniemen

spuit (de ~ | meervoud spuiten)
Zelfstandig naamwoord
  • voorwerp met naald om mee te spuiten
"een spuit zetten"
"een spuit geven"

Synoniemen

Hyperoniemen

spuit (de ~ | meervoud spuiten)
Zelfstandig naamwoord
  • voorwerp met een nauwe opening; injectie/dosis
"de tuin besproeien met een spuit"
"spuit elf"

Synoniemen

Hyperoniemen

spuit (de ~ | meervoud spuiten)
Zelfstandig naamwoord
  • vuurwapen; geweer

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord