Vervoeging van staan

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik sta
    • jij staat
    • hij/zij/het staat
    • wij staan
    • jullie staan
    • zij staan
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik stond
    • jij stond
    • hij/zij/het stond
    • wij stonden
    • jullie stonden
    • zij stonden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gestaan
    • jij hebt gestaan
    • hij/zij/het heeft gestaan
    • wij hebben gestaan
    • jullie hebben gestaan
    • zij hebben gestaan
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gestaan
    • jij had gestaan
    • hij/zij/het had gestaan
    • wij hadden gestaan
    • jullie hadden gestaan
    • zij hadden gestaan
  • Toekomende tijd I

    • ik zal staan
    • jij zult staan
    • hij/zij/het zal staan
    • wij zullen staan
    • jullie zullen staan
    • zij zullen staan
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gestaan hebben
    • jij zult gestaan hebben
    • hij/zij/het zal gestaan hebben
    • wij zullen gestaan hebben
    • jullie zullen gestaan hebben
    • zij zullen gestaan hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou staan
    • jij zou staan
    • hij/zij/het zou staan
    • wij zouden staan
    • jullie zouden staan
    • zij zouden staan
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gestaan
    • jij zou hebben gestaan
    • hij/zij/het zou hebben gestaan
    • wij zouden hebben gestaan
    • jullie zouden hebben gestaan
    • zij zouden hebben gestaan
  • Imperatief

    • jij sta
    • jullie staat

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van staan