Vervoeging van aanrekenen

Onbepaalde wijs (infinitief): aanrekenen


Nederlands

Duits

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik reken aan
  • jij rekent aan
  • hij/zij/het rekent aan
  • wij rekenen aan
  • jullie rekenen aan
  • zij rekenen aan

Präsens Indikativ

  • ich schreibe zu
  • du schreibst zu
  • er/sie/es schreibt zu
  • wir schreiben zu
  • ihr schreibt zu
  • sie schreiben zu

Onvoltooid verleden tijd

  • ik rekende aan
  • jij rekende aan
  • hij/zij/het rekende aan
  • wij rekenden aan
  • jullie rekenden aan
  • zij rekenden aan

Präteritum Indikativ

  • ich schrieb zu
  • du schriebst zu
  • er/sie/es schrieb zu
  • wir schrieben zu
  • ihr schriebt zu
  • sie schrieben zu

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb aangerekend
  • jij hebt aangerekend
  • hij/zij/het heeft aangerekend
  • wij hebben aangerekend
  • jullie hebben aangerekend
  • zij hebben aangerekend

Perfekt Indikativ

  • ich habe zugeschrieben
  • du hast zugeschrieben
  • er/sie/es hat zugeschrieben
  • wir haben zugeschrieben
  • ihr habt zugeschrieben
  • sie haben zugeschrieben

Voltooid verleden tijd

  • ik had aangerekend
  • jij had aangerekend
  • hij/zij/het had aangerekend
  • wij hadden aangerekend
  • jullie hadden aangerekend
  • zij hadden aangerekend

Plusquamperfekt Indikativ

  • ich hatte zugeschrieben
  • du hattest zugeschrieben
  • er/sie/es hatte zugeschrieben
  • wir hatten zugeschrieben
  • ihr hattet zugeschrieben
  • sie hatten zugeschrieben

Toekomende tijd I

  • ik zal aanrekenen
  • jij zult aanrekenen
  • hij/zij/het zal aanrekenen
  • wij zullen aanrekenen
  • jullie zullen aanrekenen
  • zij zullen aanrekenen

Futur I Indikativ

  • ich werde zuschreiben
  • du wirst zuschreiben
  • er/sie/es wird zuschreiben
  • wir werden zuschreiben
  • ihr werdet zuschreiben
  • sie werden zuschreiben

Toekomende tijd II

  • ik zal aangerekend hebben
  • jij zult aangerekend hebben
  • hij/zij/het zal aangerekend hebben
  • wij zullen aangerekend hebben
  • jullie zullen aangerekend hebben
  • zij zullen aangerekend hebben

Futur II Indikativ

  • ich werde zugeschrieben haben
  • du wirst zugeschrieben haben
  • er/sie/es wird zugeschrieben haben
  • wir werden zugeschrieben haben
  • ihr werdet zugeschrieben haben
  • sie werden zugeschrieben haben

Conditionalis I

  • ik zou aanrekenen
  • jij zou aanrekenen
  • hij/zij/het zou aanrekenen
  • wij zouden aanrekenen
  • jullie zouden aanrekenen
  • zij zouden aanrekenen

Futur I Konjunktiv II

  • ich würde zuschreiben
  • du würdest zuschreiben
  • er/sie/es würde zuschreiben
  • wir würden zuschreiben
  • ihr würdet zuschreiben
  • sie würden zuschreiben

Conditionalis II

  • ik zou hebben aangerekend
  • jij zou hebben aangerekend
  • hij/zij/het zou hebben aangerekend
  • wij zouden hebben aangerekend
  • jullie zouden hebben aangerekend
  • zij zouden hebben aangerekend

Futur II Konjunktiv II

  • ich würde zugeschrieben haben
  • du würdest zugeschrieben haben
  • er/sie/es würde zugeschrieben haben
  • wir würden zugeschrieben haben
  • ihr würdet zugeschrieben haben
  • sie würden zugeschrieben haben

Imperatief

  • jij reken aan
  • jullie rekent aan

Imperativ

  • du schreib(e) zu
  • ihr schreibt zu

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van aanrekenen