Vervoeging van afstellen


Nederlands

Spaans

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik stel af
  • jij stelt af
  • hij/zij/het stelt af
  • wij stellen af
  • jullie stellen af
  • zij stellen af

Indicativo presente

  • yo sintonizo
  • sintonizas
  • él/ella sintoniza
  • nosotros sintonizamos
  • vosotros sintonizáis
  • ellos/ellas sintonizan

Onvoltooid verleden tijd

  • ik stelde af
  • jij stelde af
  • hij/zij/het stelde af
  • wij stelden af
  • jullie stelden af
  • zij stelden af

Indefinido

  • yo sintonicé
  • sintonizaste
  • él/ella sintonizó
  • nosotros sintonizamos
  • vosotros sintonizasteis
  • ellos/ellas sintonizaron

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb afgesteld
  • jij hebt afgesteld
  • hij/zij/het heeft afgesteld
  • wij hebben afgesteld
  • jullie hebben afgesteld
  • zij hebben afgesteld

Pretérito perfecto compuesto

  • yo he sintonizado
  • has sintonizado
  • él/ella ha sintonizado
  • nosotros hemos sintonizado
  • vosotros habéis sintonizado
  • ellos/ellas han sintonizado

Voltooid verleden tijd

  • ik had afgesteld
  • jij had afgesteld
  • hij/zij/het had afgesteld
  • wij hadden afgesteld
  • jullie hadden afgesteld
  • zij hadden afgesteld

Pluscuamperfecto

  • yo había sintonizado
  • habías sintonizado
  • él/ella había sintonizado
  • nosotros habíamos sintonizado
  • vosotros habíais sintonizado
  • ellos/ellas habían sintonizado

Toekomende tijd I

  • ik zal afstellen
  • jij zult afstellen
  • hij/zij/het zal afstellen
  • wij zullen afstellen
  • jullie zullen afstellen
  • zij zullen afstellen

Futuro I

  • yo sintonizaré
  • sintonizarás
  • él/ella sintonizará
  • nosotros sintonizaremos
  • vosotros sintonizaréis
  • ellos/ellas sintonizarán

Toekomende tijd II

  • ik zal afgesteld hebben
  • jij zult afgesteld hebben
  • hij/zij/het zal afgesteld hebben
  • wij zullen afgesteld hebben
  • jullie zullen afgesteld hebben
  • zij zullen afgesteld hebben

Futuro perfecto

  • yo habré sintonizado
  • habrás sintonizado
  • él/ella habrá sintonizado
  • nosotros habremos sintonizado
  • vosotros habréis sintonizado
  • ellos/ellas habrán sintonizado

Conditionalis I

  • ik zou afstellen
  • jij zou afstellen
  • hij/zij/het zou afstellen
  • wij zouden afstellen
  • jullie zouden afstellen
  • zij zouden afstellen

Condicional

  • yo sintonizaría
  • sintonizarías
  • él/ella sintonizaría
  • nosotros sintonizaríamos
  • vosotros sintonizaríais
  • ellos/ellas sintonizarían

Conditionalis II

  • ik zou hebben afgesteld
  • jij zou hebben afgesteld
  • hij/zij/het zou hebben afgesteld
  • wij zouden hebben afgesteld
  • jullie zouden hebben afgesteld
  • zij zouden hebben afgesteld

Condicional perfecto

  • yo habría sintonizado
  • habrías sintonizado
  • él/ella habría sintonizado
  • nosotros habríamos sintonizado
  • vosotros habríais sintonizado
  • ellos/ellas habrían sintonizado

Imperatief

  • jij stel af
  • jullie stelt af

Imperativo presente

  • sintoniza
  • vosotros sintonizad

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van afstellen