Vervoeging van betrekken


Nederlands

Engels

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik betrek
  • jij betrekt
  • hij/zij/het betrekt
  • wij betrekken
  • jullie betrekken
  • zij betrekken

Present

  • I reside
  • you reside
  • he/she/it resides
  • we reside
  • you reside
  • they reside

Onvoltooid verleden tijd

  • ik betrok
  • jij betrok
  • hij/zij/het betrok
  • wij betrokken
  • jullie betrokken
  • zij betrokken

Simple past

  • I resided
  • you resided
  • he/she/it resided
  • we resided
  • you resided
  • they resided

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb betrokken
  • jij hebt betrokken
  • hij/zij/het heeft betrokken
  • wij hebben betrokken
  • jullie hebben betrokken
  • zij hebben betrokken

Present perfect

  • I have resided
  • you have resided
  • he/she/it has resided
  • we have resided
  • you have resided
  • they have resided

Voltooid verleden tijd

  • ik had betrokken
  • jij had betrokken
  • hij/zij/het had betrokken
  • wij hadden betrokken
  • jullie hadden betrokken
  • zij hadden betrokken

Past perfect

  • I had resided
  • you had resided
  • he/she/it had resided
  • we had resided
  • you had resided
  • they had resided

Toekomende tijd I

  • ik zal betrekken
  • jij zult betrekken
  • hij/zij/het zal betrekken
  • wij zullen betrekken
  • jullie zullen betrekken
  • zij zullen betrekken

Future

  • I will reside
  • you will reside
  • he/she/it will reside
  • we will reside
  • you will reside
  • they will reside

Toekomende tijd II

  • ik zal betrokken hebben
  • jij zult betrokken hebben
  • hij/zij/het zal betrokken hebben
  • wij zullen betrokken hebben
  • jullie zullen betrokken hebben
  • zij zullen betrokken hebben

Future perfect

  • I will have resided
  • you will have resided
  • he/she/it will have resided
  • we will have resided
  • you will have resided
  • they will have resided

Conditionalis I

  • ik zou betrekken
  • jij zou betrekken
  • hij/zij/het zou betrekken
  • wij zouden betrekken
  • jullie zouden betrekken
  • zij zouden betrekken

Conditional present

  • I would reside
  • you would reside
  • he/she/it would reside
  • we would reside
  • you would reside
  • they would reside

Conditionalis II

  • ik zou hebben betrokken
  • jij zou hebben betrokken
  • hij/zij/het zou hebben betrokken
  • wij zouden hebben betrokken
  • jullie zouden hebben betrokken
  • zij zouden hebben betrokken

Conditional perfect

  • I would have resided
  • you would have resided
  • he/she/it would have resided
  • we would have resided
  • you would have resided
  • they would have resided

Imperatief

  • jij betrek
  • jullie betrekt

Imperative

  • you reside
  • you reside

Verwijzingen

Bekijk 5 definitie(s) van betrekken