Vervoeging van bijwonen

Vertaling: asistir


Nederlands

Spaans

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik woon bij
  • jij woont bij
  • hij/zij/het woont bij
  • wij wonen bij
  • jullie wonen bij
  • zij wonen bij

Indicativo presente

  • yo asisto
  • asistes
  • él/ella asiste
  • nosotros asistimos
  • vosotros asistís
  • ellos/ellas asisten

Onvoltooid verleden tijd

  • ik woonde bij
  • jij woonde bij
  • hij/zij/het woonde bij
  • wij woonden bij
  • jullie woonden bij
  • zij woonden bij

Indefinido

  • yo asistí
  • asististe
  • él/ella asistió
  • nosotros asistimos
  • vosotros asististeis
  • ellos/ellas asistieron

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb bijgewoond
  • jij hebt bijgewoond
  • hij/zij/het heeft bijgewoond
  • wij hebben bijgewoond
  • jullie hebben bijgewoond
  • zij hebben bijgewoond

Pretérito perfecto compuesto

  • yo he asistido
  • has asistido
  • él/ella ha asistido
  • nosotros hemos asistido
  • vosotros habéis asistido
  • ellos/ellas han asistido

Voltooid verleden tijd

  • ik had bijgewoond
  • jij had bijgewoond
  • hij/zij/het had bijgewoond
  • wij hadden bijgewoond
  • jullie hadden bijgewoond
  • zij hadden bijgewoond

Pluscuamperfecto

  • yo había asistido
  • habías asistido
  • él/ella había asistido
  • nosotros habíamos asistido
  • vosotros habíais asistido
  • ellos/ellas habían asistido

Toekomende tijd I

  • ik zal bijwonen
  • jij zult bijwonen
  • hij/zij/het zal bijwonen
  • wij zullen bijwonen
  • jullie zullen bijwonen
  • zij zullen bijwonen

Futuro I

  • yo asistiré
  • asistirás
  • él/ella asistirá
  • nosotros asistiremos
  • vosotros asistiréis
  • ellos/ellas asistirán

Toekomende tijd II

  • ik zal bijgewoond hebben
  • jij zult bijgewoond hebben
  • hij/zij/het zal bijgewoond hebben
  • wij zullen bijgewoond hebben
  • jullie zullen bijgewoond hebben
  • zij zullen bijgewoond hebben

Futuro perfecto

  • yo habré asistido
  • habrás asistido
  • él/ella habrá asistido
  • nosotros habremos asistido
  • vosotros habréis asistido
  • ellos/ellas habrán asistido

Conditionalis I

  • ik zou bijwonen
  • jij zou bijwonen
  • hij/zij/het zou bijwonen
  • wij zouden bijwonen
  • jullie zouden bijwonen
  • zij zouden bijwonen

Condicional

  • yo asistiría
  • asistirías
  • él/ella asistiría
  • nosotros asistiríamos
  • vosotros asistiríais
  • ellos/ellas asistirían

Conditionalis II

  • ik zou hebben bijgewoond
  • jij zou hebben bijgewoond
  • hij/zij/het zou hebben bijgewoond
  • wij zouden hebben bijgewoond
  • jullie zouden hebben bijgewoond
  • zij zouden hebben bijgewoond

Condicional perfecto

  • yo habría asistido
  • habrías asistido
  • él/ella habría asistido
  • nosotros habríamos asistido
  • vosotros habríais asistido
  • ellos/ellas habrían asistido

Imperatief

  • jij woon bij
  • jullie woont bij

Imperativo presente

  • asiste
  • vosotros asistid

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van bijwonen