Vervoeging van bijwonen

Vertaling: assister


Nederlands

Frans

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik woon bij
  • jij woont bij
  • hij/zij/het woont bij
  • wij wonen bij
  • jullie wonen bij
  • zij wonen bij

Présent

  • j'assiste
  • tu assistes
  • il/elle assiste
  • nous assistons
  • vous assistez
  • ils/elles assistent

Onvoltooid verleden tijd

  • ik woonde bij
  • jij woonde bij
  • hij/zij/het woonde bij
  • wij woonden bij
  • jullie woonden bij
  • zij woonden bij

Indicatif imparfait

  • j'assistais
  • tu assistais
  • il/elle assistait
  • nous assistions
  • vous assistiez
  • ils/elles assistaient

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb bijgewoond
  • jij hebt bijgewoond
  • hij/zij/het heeft bijgewoond
  • wij hebben bijgewoond
  • jullie hebben bijgewoond
  • zij hebben bijgewoond

Indicatif passé composé

  • j'ai assisté
  • tu as assisté
  • il/elle a assisté
  • nous avons assisté
  • vous avez assisté
  • ils/elles ont assisté

Voltooid verleden tijd

  • ik had bijgewoond
  • jij had bijgewoond
  • hij/zij/het had bijgewoond
  • wij hadden bijgewoond
  • jullie hadden bijgewoond
  • zij hadden bijgewoond

Indicatif plus-que-parfait

  • j'avais assisté
  • tu avais assisté
  • il/elle avait assisté
  • nous avions assisté
  • vous aviez assisté
  • ils/elles avaient assisté

Toekomende tijd I

  • ik zal bijwonen
  • jij zult bijwonen
  • hij/zij/het zal bijwonen
  • wij zullen bijwonen
  • jullie zullen bijwonen
  • zij zullen bijwonen

Indicatif futur

  • j'assisterai
  • tu assisteras
  • il/elle assistera
  • nous assisterons
  • vous assisterez
  • ils/elles assisteront

Toekomende tijd II

  • ik zal bijgewoond hebben
  • jij zult bijgewoond hebben
  • hij/zij/het zal bijgewoond hebben
  • wij zullen bijgewoond hebben
  • jullie zullen bijgewoond hebben
  • zij zullen bijgewoond hebben

Indicatif futur antérieur

  • j'aurai assisté
  • tu auras assisté
  • il/elle aura assisté
  • nous aurons assisté
  • vous aurez assisté
  • ils/elles auront assisté

Conditionalis I

  • ik zou bijwonen
  • jij zou bijwonen
  • hij/zij/het zou bijwonen
  • wij zouden bijwonen
  • jullie zouden bijwonen
  • zij zouden bijwonen

Conditionnel présent

  • j'assisterais
  • tu assisterais
  • il/elle assisterait
  • nous assisterions
  • vous assisteriez
  • ils/elles assisteraient

Conditionalis II

  • ik zou hebben bijgewoond
  • jij zou hebben bijgewoond
  • hij/zij/het zou hebben bijgewoond
  • wij zouden hebben bijgewoond
  • jullie zouden hebben bijgewoond
  • zij zouden hebben bijgewoond

Conditionnel passé (1ère forme)

  • j'aurais assisté
  • tu aurais assisté
  • il/elle aurait assisté
  • nous aurions assisté
  • vous auriez assisté
  • ils/elles auraient assisté

Imperatief

  • jij woon bij
  • jullie woont bij

Impératif

  • tu assiste
  • vous assistez

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van bijwonen