Vervoeging van change

Engels

Nederlands

Present

  • he/she/it changes
  • they change

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het fluctueert
  • zij fluctueren

Simple past

  • he/she/it changed
  • they changed

Onvoltooid verleden tijd

  • hij/zij/het fluctueerde
  • zij fluctueerden

Present perfect

  • he/she/it has changed
  • they have changed

Voltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het heeft gefluctueerd
  • zij hebben gefluctueerd

Past perfect

  • he/she/it had changed
  • they had changed

Voltooid verleden tijd

  • hij/zij/het had gefluctueerd
  • zij hadden gefluctueerd

Future

  • he/she/it will change
  • they will change

Toekomende tijd I

  • hij/zij/het zal fluctueren
  • zij zult fluctueren

Future perfect

  • he/she/it will have changed
  • they will have changed

Toekomende tijd II

  • hij/zij/het zal gefluctueerd hebben
  • zij zult gefluctueerd hebben

Conditional present

  • he/she/it would change
  • they would change

Conditionalis I

  • hij/zij/het zal fluctueren
  • zij zullen fluctueren

Conditional perfect

  • he/she/it would have changed
  • they would have changed

Conditionalis II

  • hij/zij/het zal hebben gefluctueerd
  • zij zullen hebben gefluctueerd

Verwijzingen

Bekijk 16 definitie(s) van change