Vervoeging van confronteren

Onbepaalde wijs (infinitief): confronteren

Vertaling: to face


Nederlands

Engels

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik confronteer
  • jij confronteert
  • hij/zij/het confronteert
  • wij confronteren
  • jullie confronteren
  • zij confronteren

Present

  • I face
  • you face
  • he/she/it faces
  • we face
  • you face
  • they face

Onvoltooid verleden tijd

  • ik confronteerde
  • jij confronteerde
  • hij/zij/het confronteerde
  • wij confronteerden
  • jullie confronteerden
  • zij confronteerden

Simple past

  • I faced
  • you faced
  • he/she/it faced
  • we faced
  • you faced
  • they faced

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb geconfronteerd
  • jij hebt geconfronteerd
  • hij/zij/het heeft geconfronteerd
  • wij hebben geconfronteerd
  • jullie hebben geconfronteerd
  • zij hebben geconfronteerd

Present perfect

  • I have faced
  • you have faced
  • he/she/it has faced
  • we have faced
  • you have faced
  • they have faced

Voltooid verleden tijd

  • ik had geconfronteerd
  • jij had geconfronteerd
  • hij/zij/het had geconfronteerd
  • wij hadden geconfronteerd
  • jullie hadden geconfronteerd
  • zij hadden geconfronteerd

Past perfect

  • I had faced
  • you had faced
  • he/she/it had faced
  • we had faced
  • you had faced
  • they had faced

Toekomende tijd I

  • ik zal confronteren
  • jij zult confronteren
  • hij/zij/het zal confronteren
  • wij zullen confronteren
  • jullie zullen confronteren
  • zij zullen confronteren

Future

  • I will face
  • you will face
  • he/she/it will face
  • we will face
  • you will face
  • they will face

Toekomende tijd II

  • ik zal geconfronteerd hebben
  • jij zult geconfronteerd hebben
  • hij/zij/het zal geconfronteerd hebben
  • wij zullen geconfronteerd hebben
  • jullie zullen geconfronteerd hebben
  • zij zullen geconfronteerd hebben

Future perfect

  • I will have faced
  • you will have faced
  • he/she/it will have faced
  • we will have faced
  • you will have faced
  • they will have faced

Conditionalis I

  • ik zou confronteren
  • jij zou confronteren
  • hij/zij/het zou confronteren
  • wij zouden confronteren
  • jullie zouden confronteren
  • zij zouden confronteren

Conditional present

  • I would face
  • you would face
  • he/she/it would face
  • we would face
  • you would face
  • they would face

Conditionalis II

  • ik zou hebben geconfronteerd
  • jij zou hebben geconfronteerd
  • hij/zij/het zou hebben geconfronteerd
  • wij zouden hebben geconfronteerd
  • jullie zouden hebben geconfronteerd
  • zij zouden hebben geconfronteerd

Conditional perfect

  • I would have faced
  • you would have faced
  • he/she/it would have faced
  • we would have faced
  • you would have faced
  • they would have faced

Imperatief

  • jij confronteer
  • jullie confronteert

Imperative

  • you face
  • you face

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van confronteren