Vervoeging van damp


Engels

Nederlands

Present

  • I damp
  • you damp
  • he/she/it damps
  • we damp
  • you damp
  • they damp

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik demp
  • jij dempt
  • hij/zij/het dempt
  • wij dempen
  • jullie dempen
  • zij dempen

Simple past

  • I damped
  • you damped
  • he/she/it damped
  • we damped
  • you damped
  • they damped

Onvoltooid verleden tijd

  • ik dempte
  • jij dempte
  • hij/zij/het dempte
  • wij dempten
  • jullie dempten
  • zij dempten

Present perfect

  • I have damped
  • you have damped
  • he/she/it has damped
  • we have damped
  • you have damped
  • they have damped

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb gedempt
  • jij hebt gedempt
  • hij/zij/het heeft gedempt
  • wij hebben gedempt
  • jullie hebben gedempt
  • zij hebben gedempt

Past perfect

  • I had damped
  • you had damped
  • he/she/it had damped
  • we had damped
  • you had damped
  • they had damped

Voltooid verleden tijd

  • ik had gedempt
  • jij had gedempt
  • hij/zij/het had gedempt
  • wij hadden gedempt
  • jullie hadden gedempt
  • zij hadden gedempt

Future

  • I will damp
  • you will damp
  • he/she/it will damp
  • we will damp
  • you will damp
  • they will damp

Toekomende tijd I

  • ik zal dempen
  • jij zult dempen
  • hij/zij/het zal dempen
  • wij zullen dempen
  • jullie zullen dempen
  • zij zullen dempen

Future perfect

  • I will have damped
  • you will have damped
  • he/she/it will have damped
  • we will have damped
  • you will have damped
  • they will have damped

Toekomende tijd II

  • ik zal gedempt hebben
  • jij zult gedempt hebben
  • hij/zij/het zal gedempt hebben
  • wij zullen gedempt hebben
  • jullie zullen gedempt hebben
  • zij zullen gedempt hebben

Conditional present

  • I would damp
  • you would damp
  • he/she/it would damp
  • we would damp
  • you would damp
  • they would damp

Conditionalis I

  • ik zou dempen
  • jij zou dempen
  • hij/zij/het zou dempen
  • wij zouden dempen
  • jullie zouden dempen
  • zij zouden dempen

Conditional perfect

  • I would have damped
  • you would have damped
  • he/she/it would have damped
  • we would have damped
  • you would have damped
  • they would have damped

Conditionalis II

  • ik zou hebben gedempt
  • jij zou hebben gedempt
  • hij/zij/het zou hebben gedempt
  • wij zouden hebben gedempt
  • jullie zouden hebben gedempt
  • zij zouden hebben gedempt

Imperative

  • you damp
  • you damp

Imperatief

  • jij demp
  • jullie dempt

Verwijzingen

Bekijk 5 definitie(s) van damp