Vervoeging van draaien


Nederlands

Spaans

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik draai
  • jij draait
  • hij/zij/het draait
  • wij draaien
  • jullie draaien
  • zij draaien

Indicativo presente

  • yo marco
  • marcas
  • él/ella marca
  • nosotros marcamos
  • vosotros marcáis
  • ellos/ellas marcan

Onvoltooid verleden tijd

  • ik draaide
  • jij draaide
  • hij/zij/het draaide
  • wij draaiden
  • jullie draaiden
  • zij draaiden

Indefinido

  • yo marqué
  • marcaste
  • él/ella marcó
  • nosotros marcamos
  • vosotros marcasteis
  • ellos/ellas marcaron

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb gedraaid
  • jij hebt gedraaid
  • hij/zij/het heeft gedraaid
  • wij hebben gedraaid
  • jullie hebben gedraaid
  • zij hebben gedraaid

Pretérito perfecto compuesto

  • yo he marcado
  • has marcado
  • él/ella ha marcado
  • nosotros hemos marcado
  • vosotros habéis marcado
  • ellos/ellas han marcado

Voltooid verleden tijd

  • ik had gedraaid
  • jij had gedraaid
  • hij/zij/het had gedraaid
  • wij hadden gedraaid
  • jullie hadden gedraaid
  • zij hadden gedraaid

Pluscuamperfecto

  • yo había marcado
  • habías marcado
  • él/ella había marcado
  • nosotros habíamos marcado
  • vosotros habíais marcado
  • ellos/ellas habían marcado

Toekomende tijd I

  • ik zal draaien
  • jij zult draaien
  • hij/zij/het zal draaien
  • wij zullen draaien
  • jullie zullen draaien
  • zij zullen draaien

Futuro I

  • yo marcaré
  • marcarás
  • él/ella marcará
  • nosotros marcaremos
  • vosotros marcaréis
  • ellos/ellas marcarán

Toekomende tijd II

  • ik zal gedraaid hebben
  • jij zult gedraaid hebben
  • hij/zij/het zal gedraaid hebben
  • wij zullen gedraaid hebben
  • jullie zullen gedraaid hebben
  • zij zullen gedraaid hebben

Futuro perfecto

  • yo habré marcado
  • habrás marcado
  • él/ella habrá marcado
  • nosotros habremos marcado
  • vosotros habréis marcado
  • ellos/ellas habrán marcado

Conditionalis I

  • ik zou draaien
  • jij zou draaien
  • hij/zij/het zou draaien
  • wij zouden draaien
  • jullie zouden draaien
  • zij zouden draaien

Condicional

  • yo marcaría
  • marcarías
  • él/ella marcaría
  • nosotros marcaríamos
  • vosotros marcaríais
  • ellos/ellas marcarían

Conditionalis II

  • ik zou hebben gedraaid
  • jij zou hebben gedraaid
  • hij/zij/het zou hebben gedraaid
  • wij zouden hebben gedraaid
  • jullie zouden hebben gedraaid
  • zij zouden hebben gedraaid

Condicional perfecto

  • yo habría marcado
  • habrías marcado
  • él/ella habría marcado
  • nosotros habríamos marcado
  • vosotros habríais marcado
  • ellos/ellas habrían marcado

Imperatief

  • jij draai
  • jullie draait

Imperativo presente

  • marca
  • vosotros marcad

Verwijzingen

Bekijk 11 definitie(s) van draaien