Vervoeging van inslaan


Nederlands

Engels

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik sla in
  • jij slaat in
  • hij/zij/het slaat in
  • wij slaan in
  • jullie slaan in
  • zij slaan in

Present

  • I hit
  • you hit
  • he/she/it hits
  • we hit
  • you hit
  • they hit

Onvoltooid verleden tijd

  • ik sloeg in
  • jij sloeg in
  • hij/zij/het sloeg in
  • wij sloegen in
  • jullie sloegen in
  • zij sloegen in

Simple past

  • I hit
  • you hit
  • he/she/it hit
  • we hit
  • you hit
  • they hit

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb ingeslagen
  • jij hebt ingeslagen
  • hij/zij/het heeft ingeslagen
  • wij hebben ingeslagen
  • jullie hebben ingeslagen
  • zij hebben ingeslagen

Present perfect

  • I have hit
  • you have hit
  • he/she/it has hit
  • we have hit
  • you have hit
  • they have hit

Voltooid verleden tijd

  • ik had ingeslagen
  • jij had ingeslagen
  • hij/zij/het had ingeslagen
  • wij hadden ingeslagen
  • jullie hadden ingeslagen
  • zij hadden ingeslagen

Past perfect

  • I had hit
  • you had hit
  • he/she/it had hit
  • we had hit
  • you had hit
  • they had hit

Toekomende tijd I

  • ik zal inslaan
  • jij zult inslaan
  • hij/zij/het zal inslaan
  • wij zullen inslaan
  • jullie zullen inslaan
  • zij zullen inslaan

Future

  • I will hit
  • you will hit
  • he/she/it will hit
  • we will hit
  • you will hit
  • they will hit

Toekomende tijd II

  • ik zal ingeslagen hebben
  • jij zult ingeslagen hebben
  • hij/zij/het zal ingeslagen hebben
  • wij zullen ingeslagen hebben
  • jullie zullen ingeslagen hebben
  • zij zullen ingeslagen hebben

Future perfect

  • I will have hit
  • you will have hit
  • he/she/it will have hit
  • we will have hit
  • you will have hit
  • they will have hit

Conditionalis I

  • ik zou inslaan
  • jij zou inslaan
  • hij/zij/het zou inslaan
  • wij zouden inslaan
  • jullie zouden inslaan
  • zij zouden inslaan

Conditional present

  • I would hit
  • you would hit
  • he/she/it would hit
  • we would hit
  • you would hit
  • they would hit

Conditionalis II

  • ik zou hebben ingeslagen
  • jij zou hebben ingeslagen
  • hij/zij/het zou hebben ingeslagen
  • wij zouden hebben ingeslagen
  • jullie zouden hebben ingeslagen
  • zij zouden hebben ingeslagen

Conditional perfect

  • I would have hit
  • you would have hit
  • he/she/it would have hit
  • we would have hit
  • you would have hit
  • they would have hit

Imperatief

  • jij sla in
  • jullie slaat in

Imperative

  • you hit
  • you hit

Verwijzingen

Bekijk 5 definitie(s) van inslaan