Vervoeging van opbrengen


Nederlands

Engels

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik breng op
  • jij brengt op
  • hij/zij/het brengt op
  • wij brengen op
  • jullie brengen op
  • zij brengen op

Present

  • I collar
  • you collar
  • he/she/it collars
  • we collar
  • you collar
  • they collar

Onvoltooid verleden tijd

  • ik bracht op
  • jij bracht op
  • hij/zij/het bracht op
  • wij brachten op
  • jullie brachten op
  • zij brachten op

Simple past

  • I collared
  • you collared
  • he/she/it collared
  • we collared
  • you collared
  • they collared

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb opgebracht
  • jij hebt opgebracht
  • hij/zij/het heeft opgebracht
  • wij hebben opgebracht
  • jullie hebben opgebracht
  • zij hebben opgebracht

Present perfect

  • I have collared
  • you have collared
  • he/she/it has collared
  • we have collared
  • you have collared
  • they have collared

Voltooid verleden tijd

  • ik had opgebracht
  • jij had opgebracht
  • hij/zij/het had opgebracht
  • wij hadden opgebracht
  • jullie hadden opgebracht
  • zij hadden opgebracht

Past perfect

  • I had collared
  • you had collared
  • he/she/it had collared
  • we had collared
  • you had collared
  • they had collared

Toekomende tijd I

  • ik zal opbrengen
  • jij zult opbrengen
  • hij/zij/het zal opbrengen
  • wij zullen opbrengen
  • jullie zullen opbrengen
  • zij zullen opbrengen

Future

  • I will collar
  • you will collar
  • he/she/it will collar
  • we will collar
  • you will collar
  • they will collar

Toekomende tijd II

  • ik zal opgebracht hebben
  • jij zult opgebracht hebben
  • hij/zij/het zal opgebracht hebben
  • wij zullen opgebracht hebben
  • jullie zullen opgebracht hebben
  • zij zullen opgebracht hebben

Future perfect

  • I will have collared
  • you will have collared
  • he/she/it will have collared
  • we will have collared
  • you will have collared
  • they will have collared

Conditionalis I

  • ik zou opbrengen
  • jij zou opbrengen
  • hij/zij/het zou opbrengen
  • wij zouden opbrengen
  • jullie zouden opbrengen
  • zij zouden opbrengen

Conditional present

  • I would collar
  • you would collar
  • he/she/it would collar
  • we would collar
  • you would collar
  • they would collar

Conditionalis II

  • ik zou hebben opgebracht
  • jij zou hebben opgebracht
  • hij/zij/het zou hebben opgebracht
  • wij zouden hebben opgebracht
  • jullie zouden hebben opgebracht
  • zij zouden hebben opgebracht

Conditional perfect

  • I would have collared
  • you would have collared
  • he/she/it would have collared
  • we would have collared
  • you would have collared
  • they would have collared

Imperatief

  • jij breng op
  • jullie brengt op

Imperative

  • you collar
  • you collar

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van opbrengen