Vervoeging van opbrengen


Nederlands

Engels

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik breng op
  • jij brengt op
  • hij/zij/het brengt op
  • wij brengen op
  • jullie brengen op
  • zij brengen op

Present

  • I realize
  • you realize
  • he/she/it realizes
  • we realize
  • you realize
  • they realize

Onvoltooid verleden tijd

  • ik bracht op
  • jij bracht op
  • hij/zij/het bracht op
  • wij brachten op
  • jullie brachten op
  • zij brachten op

Simple past

  • I realized
  • you realized
  • he/she/it realized
  • we realized
  • you realized
  • they realized

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb opgebracht
  • jij hebt opgebracht
  • hij/zij/het heeft opgebracht
  • wij hebben opgebracht
  • jullie hebben opgebracht
  • zij hebben opgebracht

Present perfect

  • I have realized
  • you have realized
  • he/she/it has realized
  • we have realized
  • you have realized
  • they have realized

Voltooid verleden tijd

  • ik had opgebracht
  • jij had opgebracht
  • hij/zij/het had opgebracht
  • wij hadden opgebracht
  • jullie hadden opgebracht
  • zij hadden opgebracht

Past perfect

  • I had realized
  • you had realized
  • he/she/it had realized
  • we had realized
  • you had realized
  • they had realized

Toekomende tijd I

  • ik zal opbrengen
  • jij zult opbrengen
  • hij/zij/het zal opbrengen
  • wij zullen opbrengen
  • jullie zullen opbrengen
  • zij zullen opbrengen

Future

  • I will realize
  • you will realize
  • he/she/it will realize
  • we will realize
  • you will realize
  • they will realize

Toekomende tijd II

  • ik zal opgebracht hebben
  • jij zult opgebracht hebben
  • hij/zij/het zal opgebracht hebben
  • wij zullen opgebracht hebben
  • jullie zullen opgebracht hebben
  • zij zullen opgebracht hebben

Future perfect

  • I will have realized
  • you will have realized
  • he/she/it will have realized
  • we will have realized
  • you will have realized
  • they will have realized

Conditionalis I

  • ik zou opbrengen
  • jij zou opbrengen
  • hij/zij/het zou opbrengen
  • wij zouden opbrengen
  • jullie zouden opbrengen
  • zij zouden opbrengen

Conditional present

  • I would realize
  • you would realize
  • he/she/it would realize
  • we would realize
  • you would realize
  • they would realize

Conditionalis II

  • ik zou hebben opgebracht
  • jij zou hebben opgebracht
  • hij/zij/het zou hebben opgebracht
  • wij zouden hebben opgebracht
  • jullie zouden hebben opgebracht
  • zij zouden hebben opgebracht

Conditional perfect

  • I would have realized
  • you would have realized
  • he/she/it would have realized
  • we would have realized
  • you would have realized
  • they would have realized

Imperatief

  • jij breng op
  • jullie brengt op

Imperative

  • you realize
  • you realize

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van opbrengen