Vervoeging van opvallen

Nederlands

Duits

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik val op
  • jij valt op
  • hij/zij/het valt op
  • wij vallen op
  • jullie vallen op
  • zij vallen op

Präsens Indikativ

  • ich suche heim
  • du suchst heim
  • er/sie/es sucht heim
  • wir suchen heim
  • ihr sucht heim
  • sie suchen heim

Onvoltooid verleden tijd

  • ik viel op
  • jij viel op
  • hij/zij/het viel op
  • wij vielen op
  • jullie vielen op
  • zij vielen op

Präteritum Indikativ

  • ich suchte heim
  • du suchtest heim
  • er/sie/es suchte heim
  • wir suchten heim
  • ihr suchtet heim
  • sie suchten heim

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik ben opgevallen
  • jij bent opgevallen
  • hij/zij/het is opgevallen
  • wij zijn opgevallen
  • jullie zijn opgevallen
  • zij zijn opgevallen

Perfekt Indikativ

  • ich habe heimgesucht
  • du hast heimgesucht
  • er/sie/es hat heimgesucht
  • wir haben heimgesucht
  • ihr habt heimgesucht
  • sie haben heimgesucht

Voltooid verleden tijd

  • ik was opgevallen
  • jij was opgevallen
  • hij/zij/het was opgevallen
  • wij waren opgevallen
  • jullie waren opgevallen
  • zij waren opgevallen

Plusquamperfekt Indikativ

  • ich hatte heimgesucht
  • du hattest heimgesucht
  • er/sie/es hatte heimgesucht
  • wir hatten heimgesucht
  • ihr hattet heimgesucht
  • sie hatten heimgesucht

Toekomende tijd I

  • ik zal opvallen
  • jij zult opvallen
  • hij/zij/het zal opvallen
  • wij zullen opvallen
  • jullie zullen opvallen
  • zij zullen opvallen

Futur I Indikativ

  • ich werde heimsuchen
  • du wirst heimsuchen
  • er/sie/es wird heimsuchen
  • wir werden heimsuchen
  • ihr werdet heimsuchen
  • sie werden heimsuchen

Toekomende tijd II

  • ik zal opgevallen zijn
  • jij zult opgevallen zijn
  • hij/zij/het zal opgevallen zijn
  • wij zullen opgevallen zijn
  • jullie zullen opgevallen zijn
  • zij zullen opgevallen zijn

Futur II Indikativ

  • ich werde heimgesucht haben
  • du wirst heimgesucht haben
  • er/sie/es wird heimgesucht haben
  • wir werden heimgesucht haben
  • ihr werdet heimgesucht haben
  • sie werden heimgesucht haben

Conditionalis I

  • ik zou opvallen
  • jij zou opvallen
  • hij/zij/het zou opvallen
  • wij zouden opvallen
  • jullie zouden opvallen
  • zij zouden opvallen

Futur I Konjunktiv II

  • ich würde heimsuchen
  • du würdest heimsuchen
  • er/sie/es würde heimsuchen
  • wir würden heimsuchen
  • ihr würdet heimsuchen
  • sie würden heimsuchen

Conditionalis II

  • ik zou zijn opgevallen
  • jij zou zijn opgevallen
  • hij/zij/het zou zijn opgevallen
  • wij zouden zijn opgevallen
  • jullie zouden zijn opgevallen
  • zij zouden zijn opgevallen

Futur II Konjunktiv II

  • ich würde heimgesucht haben
  • du würdest heimgesucht haben
  • er/sie/es würde heimgesucht haben
  • wir würden heimgesucht haben
  • ihr würdet heimgesucht haben
  • sie würden heimgesucht haben