Vervoeging van slaan


Nederlands

Spaans

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik sla
  • jij slaat
  • hij/zij/het slaat
  • wij slaan
  • jullie slaan
  • zij slaan

Indicativo presente

  • yo sello
  • sellas
  • él/ella sella
  • nosotros sellamos
  • vosotros selláis
  • ellos/ellas sellan

Onvoltooid verleden tijd

  • ik sloeg
  • jij sloeg
  • hij/zij/het sloeg
  • wij sloegen
  • jullie sloegen
  • zij sloegen

Indefinido

  • yo sellé
  • sellaste
  • él/ella selló
  • nosotros sellamos
  • vosotros sellasteis
  • ellos/ellas sellaron

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb geslagen
  • jij hebt geslagen
  • hij/zij/het heeft geslagen
  • wij hebben geslagen
  • jullie hebben geslagen
  • zij hebben geslagen

Pretérito perfecto compuesto

  • yo he sellado
  • has sellado
  • él/ella ha sellado
  • nosotros hemos sellado
  • vosotros habéis sellado
  • ellos/ellas han sellado

Voltooid verleden tijd

  • ik had geslagen
  • jij had geslagen
  • hij/zij/het had geslagen
  • wij hadden geslagen
  • jullie hadden geslagen
  • zij hadden geslagen

Pluscuamperfecto

  • yo había sellado
  • habías sellado
  • él/ella había sellado
  • nosotros habíamos sellado
  • vosotros habíais sellado
  • ellos/ellas habían sellado

Toekomende tijd I

  • ik zal slaan
  • jij zult slaan
  • hij/zij/het zal slaan
  • wij zullen slaan
  • jullie zullen slaan
  • zij zullen slaan

Futuro I

  • yo sellaré
  • sellarás
  • él/ella sellará
  • nosotros sellaremos
  • vosotros sellaréis
  • ellos/ellas sellarán

Toekomende tijd II

  • ik zal geslagen hebben
  • jij zult geslagen hebben
  • hij/zij/het zal geslagen hebben
  • wij zullen geslagen hebben
  • jullie zullen geslagen hebben
  • zij zullen geslagen hebben

Futuro perfecto

  • yo habré sellado
  • habrás sellado
  • él/ella habrá sellado
  • nosotros habremos sellado
  • vosotros habréis sellado
  • ellos/ellas habrán sellado

Conditionalis I

  • ik zou slaan
  • jij zou slaan
  • hij/zij/het zou slaan
  • wij zouden slaan
  • jullie zouden slaan
  • zij zouden slaan

Condicional

  • yo sellaría
  • sellarías
  • él/ella sellaría
  • nosotros sellaríamos
  • vosotros sellaríais
  • ellos/ellas sellarían

Conditionalis II

  • ik zou hebben geslagen
  • jij zou hebben geslagen
  • hij/zij/het zou hebben geslagen
  • wij zouden hebben geslagen
  • jullie zouden hebben geslagen
  • zij zouden hebben geslagen

Condicional perfecto

  • yo habría sellado
  • habrías sellado
  • él/ella habría sellado
  • nosotros habríamos sellado
  • vosotros habríais sellado
  • ellos/ellas habrían sellado

Imperatief

  • jij sla
  • jullie slaat

Imperativo presente

  • sella
  • vosotros sellad

Verwijzingen

Bekijk 7 definitie(s) van slaan