Vervoeging van uitschrijven

Onbepaalde wijs (infinitief): uitschrijven


Nederlands

Frans

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik schrijf uit
  • jij schrijft uit
  • hij/zij/het schrijft uit
  • wij schrijven uit
  • jullie schrijven uit
  • zij schrijven uit

Présent

  • je situe
  • tu situes
  • il/elle situe
  • nous situons
  • vous situez
  • ils/elles situent

Onvoltooid verleden tijd

  • ik schreef uit
  • jij schreef uit
  • hij/zij/het schreef uit
  • wij schreven uit
  • jullie schreven uit
  • zij schreven uit

Indicatif imparfait

  • je situais
  • tu situais
  • il/elle situait
  • nous situions
  • vous situiez
  • ils/elles situaient

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb uitgeschreven
  • jij hebt uitgeschreven
  • hij/zij/het heeft uitgeschreven
  • wij hebben uitgeschreven
  • jullie hebben uitgeschreven
  • zij hebben uitgeschreven

Indicatif passé composé

  • j'ai situé
  • tu as situé
  • il/elle a situé
  • nous avons situé
  • vous avez situé
  • ils/elles ont situé

Voltooid verleden tijd

  • ik had uitgeschreven
  • jij had uitgeschreven
  • hij/zij/het had uitgeschreven
  • wij hadden uitgeschreven
  • jullie hadden uitgeschreven
  • zij hadden uitgeschreven

Indicatif plus-que-parfait

  • j'avais situé
  • tu avais situé
  • il/elle avait situé
  • nous avions situé
  • vous aviez situé
  • ils/elles avaient situé

Toekomende tijd I

  • ik zal uitschrijven
  • jij zult uitschrijven
  • hij/zij/het zal uitschrijven
  • wij zullen uitschrijven
  • jullie zullen uitschrijven
  • zij zullen uitschrijven

Indicatif futur

  • je situerai
  • tu situeras
  • il/elle situera
  • nous situerons
  • vous situerez
  • ils/elles situeront

Toekomende tijd II

  • ik zal uitgeschreven hebben
  • jij zult uitgeschreven hebben
  • hij/zij/het zal uitgeschreven hebben
  • wij zullen uitgeschreven hebben
  • jullie zullen uitgeschreven hebben
  • zij zullen uitgeschreven hebben

Indicatif futur antérieur

  • j'aurai situé
  • tu auras situé
  • il/elle aura situé
  • nous aurons situé
  • vous aurez situé
  • ils/elles auront situé

Conditionalis I

  • ik zou uitschrijven
  • jij zou uitschrijven
  • hij/zij/het zou uitschrijven
  • wij zouden uitschrijven
  • jullie zouden uitschrijven
  • zij zouden uitschrijven

Conditionnel présent

  • je situerais
  • tu situerais
  • il/elle situerait
  • nous situerions
  • vous situeriez
  • ils/elles situeraient

Conditionalis II

  • ik zou hebben uitgeschreven
  • jij zou hebben uitgeschreven
  • hij/zij/het zou hebben uitgeschreven
  • wij zouden hebben uitgeschreven
  • jullie zouden hebben uitgeschreven
  • zij zouden hebben uitgeschreven

Conditionnel passé (1ère forme)

  • j'aurais situé
  • tu aurais situé
  • il/elle aurait situé
  • nous aurions situé
  • vous auriez situé
  • ils/elles auraient situé

Imperatief

  • jij schrijf uit
  • jullie schrijft uit

Impératif

  • tu situe
  • vous situez

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van uitschrijven