Vervoeging van verrekken


Nederlands

Engels

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik verrek
  • jij verrekt
  • hij/zij/het verrekt
  • wij verrekken
  • jullie verrekken
  • zij verrekken

Present

  • I matter
  • you matter
  • he/she/it matters
  • we matter
  • you matter
  • they matter

Onvoltooid verleden tijd

  • ik verrekte
  • jij verrekte
  • hij/zij/het verrekte
  • wij verrekten
  • jullie verrekten
  • zij verrekten

Simple past

  • I mattered
  • you mattered
  • he/she/it mattered
  • we mattered
  • you mattered
  • they mattered

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb verrekt
  • jij hebt verrekt
  • hij/zij/het heeft verrekt
  • wij hebben verrekt
  • jullie hebben verrekt
  • zij hebben verrekt

Present perfect

  • I have mattered
  • you have mattered
  • he/she/it has mattered
  • we have mattered
  • you have mattered
  • they have mattered

Voltooid verleden tijd

  • ik had verrekt
  • jij had verrekt
  • hij/zij/het had verrekt
  • wij hadden verrekt
  • jullie hadden verrekt
  • zij hadden verrekt

Past perfect

  • I had mattered
  • you had mattered
  • he/she/it had mattered
  • we had mattered
  • you had mattered
  • they had mattered

Toekomende tijd I

  • ik zal verrekken
  • jij zult verrekken
  • hij/zij/het zal verrekken
  • wij zullen verrekken
  • jullie zullen verrekken
  • zij zullen verrekken

Future

  • I will matter
  • you will matter
  • he/she/it will matter
  • we will matter
  • you will matter
  • they will matter

Toekomende tijd II

  • ik zal verrekt hebben
  • jij zult verrekt hebben
  • hij/zij/het zal verrekt hebben
  • wij zullen verrekt hebben
  • jullie zullen verrekt hebben
  • zij zullen verrekt hebben

Future perfect

  • I will have mattered
  • you will have mattered
  • he/she/it will have mattered
  • we will have mattered
  • you will have mattered
  • they will have mattered

Conditionalis I

  • ik zou verrekken
  • jij zou verrekken
  • hij/zij/het zou verrekken
  • wij zouden verrekken
  • jullie zouden verrekken
  • zij zouden verrekken

Conditional present

  • I would matter
  • you would matter
  • he/she/it would matter
  • we would matter
  • you would matter
  • they would matter

Conditionalis II

  • ik zou hebben verrekt
  • jij zou hebben verrekt
  • hij/zij/het zou hebben verrekt
  • wij zouden hebben verrekt
  • jullie zouden hebben verrekt
  • zij zouden hebben verrekt

Conditional perfect

  • I would have mattered
  • you would have mattered
  • he/she/it would have mattered
  • we would have mattered
  • you would have mattered
  • they would have mattered

Imperatief

  • jij verrek
  • jullie verrekt

Imperative

  • you matter
  • you matter

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van verrekken