Vervoeging van zalven

Vertaling: viaticar


Nederlands

Spaans

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik zalf
  • jij zalft
  • hij/zij/het zalft
  • wij zalven
  • jullie zalven
  • zij zalven

Indicativo presente

  • yo viatico
  • viaticas
  • él/ella viatica
  • nosotros viaticamos
  • vosotros viaticáis
  • ellos/ellas viatican

Onvoltooid verleden tijd

  • ik zalfde
  • jij zalfde
  • hij/zij/het zalfde
  • wij zalfden
  • jullie zalfden
  • zij zalfden

Indefinido

  • yo viatiqué
  • viaticaste
  • él/ella viaticó
  • nosotros viaticamos
  • vosotros viaticasteis
  • ellos/ellas viaticaron

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb gezalfd
  • jij hebt gezalfd
  • hij/zij/het heeft gezalfd
  • wij hebben gezalfd
  • jullie hebben gezalfd
  • zij hebben gezalfd

Pretérito perfecto compuesto

  • yo he viaticado
  • has viaticado
  • él/ella ha viaticado
  • nosotros hemos viaticado
  • vosotros habéis viaticado
  • ellos/ellas han viaticado

Voltooid verleden tijd

  • ik had gezalfd
  • jij had gezalfd
  • hij/zij/het had gezalfd
  • wij hadden gezalfd
  • jullie hadden gezalfd
  • zij hadden gezalfd

Pluscuamperfecto

  • yo había viaticado
  • habías viaticado
  • él/ella había viaticado
  • nosotros habíamos viaticado
  • vosotros habíais viaticado
  • ellos/ellas habían viaticado

Toekomende tijd I

  • ik zal zalven
  • jij zult zalven
  • hij/zij/het zal zalven
  • wij zullen zalven
  • jullie zullen zalven
  • zij zullen zalven

Futuro I

  • yo viaticaré
  • viaticarás
  • él/ella viaticará
  • nosotros viaticaremos
  • vosotros viaticaréis
  • ellos/ellas viaticarán

Toekomende tijd II

  • ik zal gezalfd hebben
  • jij zult gezalfd hebben
  • hij/zij/het zal gezalfd hebben
  • wij zullen gezalfd hebben
  • jullie zullen gezalfd hebben
  • zij zullen gezalfd hebben

Futuro perfecto

  • yo habré viaticado
  • habrás viaticado
  • él/ella habrá viaticado
  • nosotros habremos viaticado
  • vosotros habréis viaticado
  • ellos/ellas habrán viaticado

Conditionalis I

  • ik zou zalven
  • jij zou zalven
  • hij/zij/het zou zalven
  • wij zouden zalven
  • jullie zouden zalven
  • zij zouden zalven

Condicional

  • yo viaticaría
  • viaticarías
  • él/ella viaticaría
  • nosotros viaticaríamos
  • vosotros viaticaríais
  • ellos/ellas viaticarían

Conditionalis II

  • ik zou hebben gezalfd
  • jij zou hebben gezalfd
  • hij/zij/het zou hebben gezalfd
  • wij zouden hebben gezalfd
  • jullie zouden hebben gezalfd
  • zij zouden hebben gezalfd

Condicional perfecto

  • yo habría viaticado
  • habrías viaticado
  • él/ella habría viaticado
  • nosotros habríamos viaticado
  • vosotros habríais viaticado
  • ellos/ellas habrían viaticado

Imperatief

  • jij zalf
  • jullie zalft

Imperativo presente

  • viatica
  • vosotros viaticad

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van zalven