Vertaling van grew

Inhoud:

Engels
Nederlands
to become, to get, to grow, to arise {ww.}
worden 
raken 

I grew
you grew
he/she/it grew

ik werd
jij werd
hij/zij/het werd
» meer vervoegingen van worden

What can I get rid of?
Wat kan ik kwijt raken?
I couldn't get to sleep.
Ik kon niet in slaap raken.
to grow, to raise, to increase {ww.}
laten groeien
doen groeien
to cultivate, to grow, to raise, to force {ww.}
in kassen kweken
to cultivate, to grow {ww.}
verbouwen
kweken
telen
aankweken
beschaven
bebouwen 

I grew
you grew
he/she/it grew

ik verbouwde
jij verbouwde
hij/zij/het verbouwde
» meer vervoegingen van verbouwen

We grow wheat here.
We verbouwen tarwe hier.
I want to grow good vegetables, rice, fruit and so on.
Ik wil goede groenten kweken, rijst, fruit enzovoort.
to augment, to grow, to increase, to rise {ww.}
groeien 
stijgen
toenemen
aangroeien 

I grew
you grew
he/she/it grew

ik groeide
jij groeide
hij/zij/het groeide
» meer vervoegingen van groeien

Oranges grow in warm countries.
Sinaasappels groeien in warme landen.
Plants grow quickly after rain.
Planten groeien snel na regen.
to grow, to accrue, to wax {ww.}
groeien 
aanwassen
wassen 
toenemen
gedijen

I grew
you grew
he/she/it grew

ik groeide
jij groeide
hij/zij/het groeide
» meer vervoegingen van groeien



Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

She grew roses.

Ze kweekte rozen.

I grew up in Boston.

Ik groeide op in Boston.

I grew up in the country.

Ik ben opgegroeid in het land.

I grew up in the woods.

Ik groeide op in de bossen.

I grew up in the mountains.

Ik groeide op in de bergen.

I grew up in this neighborhood.

Ik groeide op in deze buurt.

I grew up on watching Pokémon.

Ik ben met Pokémon opgegroeid.

I grew up in that house.

Ik groeide op in dat huis.

I grew up near a river.

Ik ben opgegroeid in de buurt van een rivier.

Tom grew up in an orphanage.

Tom is in een weeshuis opgegroeid.

I grew up here in Boston.

Ik ben opgegroeid hier in Boston.

He grew up to be a very reliable man.

Hij werd een heel betrouwbare man.

The Japanese economy grew by 4% last year.

De Japanse economie is vorig jaar met 4 % gegroeid.

A small village grew into a large city.

Een klein dorp groeide uit tot een grote stad.

I remember the house where I grew up.

Ik herinner me het huis waar ik opgegroeid ben.


Gerelateerd aan grew

become - get - grow - arise - raise - increase - cultivate - force - augment - rise - accrue - wax