Betekenis van:
asleep

asleep
Bijvoeglijk naamwoord
    • in a state of sleep
    "were all asleep when the phone rang"
    "fell asleep at the wheel"
    asleep
    Bijvoeglijk naamwoord
      • lacking sensation
      "my foot is asleep"

      Synoniemen

      asleep
      Bijvoeglijk naamwoord
      • vervlogen, omgevlogen
      • dead

      Synoniemen

      asleep
      Bijvoeglijk naamwoord
      • ongastvrij
      • dead

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      asleep
      Bijvoeglijk naamwoord
      • zoek, verdwenen, vermist
      • dead

      Synoniemen

      asleep
      Bijwoord
        • into a sleeping state
        "he fell asleep"
        asleep
        Bijwoord
          • in the sleep of death