Betekenis van:
busy

busy
Bijvoeglijk naamwoord
met neiging tot bemoeien
intrusive in a meddling or offensive manner

Synoniemen

busy
Bijvoeglijk naamwoord
turbulent
actively or fully engaged or occupied

Hyperoniemen

busy
Bijvoeglijk naamwoord
intrusive in a meddling or offensive manner

Synoniemen

Hyperoniemen

busy
Bijvoeglijk naamwoord
intrusive in a meddling or offensive manner

Synoniemen

Hyperoniemen

busy
Bijvoeglijk naamwoord
crowded with or characterized by much activity
busy
Bijvoeglijk naamwoord
bemoeiziek; bemoeiziek
intrusive in a meddling or offensive manner

Synoniemen

Hyperoniemen

busy
Bijvoeglijk naamwoord
werkzaam, niet stilzittend, handelend
actively or fully engaged or occupied
busy
Bijvoeglijk naamwoord
overcrowded or cluttered with detail

Synoniemen

busy
Bijvoeglijk naamwoord
(of facilities such as telephones or lavatories) unavailable for use by anyone else or indicating unavailability; (`engaged' is a British term for a busy telephone line)

Synoniemen

to busy
Werkwoord
keep busy with

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen