Betekenis van:
fuss

to fuss
Werkwoord
  • treuren, zich ongelukkig, chagrijnig voelen
  • worry unnecessarily or excessively
"don't fuss too much over the grandchildren--they are quite big now"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

to fuss
Werkwoord
  • bemoederen
  • care for like a mother
"She fusses over her husband"

Synoniemen

Hyperoniemen

fuss
Zelfstandig naamwoord
  • overdreven aandacht; ophef; ophef; irriterend gedrag v.e. ander; gedoe; overbodige drukte; ophef om niets; heisa om niets; gedoe; drukte; overbodige drukte; gedoe; gedoe; herrie
  • a rapid active commotion

Synoniemen

Hyperoniemen

fuss
Zelfstandig naamwoord
    • an angry disturbance
    "he didn't want to make a fuss"

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    fuss
    Zelfstandig naamwoord
    • geroezemoes
    • a rapid active commotion

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    fuss
    Zelfstandig naamwoord
      • an excited state of agitation

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      fuss
      Zelfstandig naamwoord
        • a quarrel about petty points

        Synoniemen

        Hyperoniemen