Betekenis van:
prim

prim
Bijvoeglijk naamwoord
  • geneigd tot aanstellen; bezadigd
  • speaking or behaving in an artificial way to make an impression

Synoniemen

Hyperoniemen

prim
Bijvoeglijk naamwoord
  • onecht; gemaakt; onwettig
  • lacking spontaneity; not natural

Synoniemen

Hyperoniemen

prim
Bijvoeglijk naamwoord
  • gemaakt, gekunsteld
  • lacking spontaneity; not natural

Synoniemen

prim
Bijvoeglijk naamwoord
  • hoogdravend; bombastisch; bombastisch; bombastisch; hoogdravend
  • artificially formal

Synoniemen

Hyperoniemen

prim
Bijvoeglijk naamwoord
  • schijnheilig; huichelachtig; hypocriet
  • lacking spontaneity; not natural

Synoniemen

Hyperoniemen

prim
Bijvoeglijk naamwoord
  • onnatuurlijk, gewild, gewrongen, opgesmukt, spastisch
  • lacking spontaneity; not natural

Synoniemen

Hyperoniemen

prim
Bijvoeglijk naamwoord
  • onecht, gekunsteld, gemaakt, gewrongen
  • lacking spontaneity; not natural

Synoniemen

prim
Bijvoeglijk naamwoord
    • affectedly dainty or refined

    Synoniemen

    prim
    Bijvoeglijk naamwoord
    • overgecultiveerd, gekunsteld, gemaakt, gewrongen
    • artificially formal

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    to prim
    Werkwoord
      • assume a prim appearance
      "They mince and prim"

      Hyperoniemen

      to prim
      Werkwoord
      • tuiten
      • contract one's lips
      "She primmed her lips after every bite of food"

      Hyperoniemen

      to prim
      Werkwoord
        • dress primly

        Synoniemen

        Hyperoniemen