Betekenis van:
slice

slice
Zelfstandig naamwoord
  • plak of schijf van iets afgesneden; schijf of plak
  • a serving that has been cut from a larger portion
"a slice of bread"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

slice
Zelfstandig naamwoord
  • een zekere hoeveelheid
  • a share of something
"a slice of the company's revenue"

Synoniemen

Hyperoniemen

slice
Zelfstandig naamwoord
  • plat stuk van een of andere stof waarvan de omtrek niet rond hoeft te zijn
  • a thin flat piece cut off of some object

Hyperoniemen

Hyponiemen

slice
Zelfstandig naamwoord
  • snijwond; opening of wond; wond veroorzaakt door snijden
  • a wound made by cutting

Synoniemen

Hyperoniemen

slice
Zelfstandig naamwoord
  • diepe snijwond
  • a wound made by cutting

Synoniemen

Hyperoniemen

slice
Zelfstandig naamwoord
  • plak
  • a thin flat piece cut off of some object

Hyperoniemen

Hyponiemen

slice
Zelfstandig naamwoord
    • a spatula for spreading paint or ink

    Hyperoniemen

    slice
    Zelfstandig naamwoord
    • snijdsel
    • a thin flat piece cut off of some object

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    slice
    Zelfstandig naamwoord
    • slice
    • a golf shot that curves to the right for a right-handed golfer

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    to slice
    Werkwoord
    • als met een mes getrokken door iets heengaan
    • cut into slices

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    to slice
    Werkwoord
    • manier van slaan bij (tafel)tennis, waarbij de bal terugdraaiend effect krijgt
    • hit a ball and put a spin on it so that it travels in a different direction

    Hyperoniemen

    to slice
    Werkwoord
      • hit a ball so that it causes a backspin

      Hyperoniemen

      to slice
      Werkwoord
        • make a clean cut through

        Synoniemen

        Hyperoniemen

        to slice
        Werkwoord
        • schaven
        • cut into slices

        Synoniemen

        Hyperoniemen