Betekenis van:
spruce

spruce
Zelfstandig naamwoord
  • bepaald soort naaldboom
  • any coniferous tree of the genus Picea

Hyperoniemen

Hyponiemen

spruce
Zelfstandig naamwoord
    • light soft moderately strong wood of spruce trees; used especially for timbers and millwork

    Hyperoniemen

    spruce
    Zelfstandig naamwoord
    • sparrehout, sparrenhout
    • any coniferous tree of the genus Picea

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    spruce
    Bijvoeglijk naamwoord
    • ordelijk, keurig
    • marked by up-to-dateness in dress and manners

    Synoniemen

    spruce
    Bijvoeglijk naamwoord
    • hygiënisch
    • marked by up-to-dateness in dress and manners

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    spruce
    Bijvoeglijk naamwoord
    • zorg bestedend aan uiterlijk en goede manieren, of daarvan blijk gevend
    • marked by up-to-dateness in dress and manners

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    spruce
    Bijvoeglijk naamwoord
    • sierlijk
    • marked by up-to-dateness in dress and manners

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    to spruce
    Werkwoord
      • dress and groom with particular care, as for a special occasion
      "He spruced up for the party"

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      to spruce
      Werkwoord
        • make neat, smart, or trim

        Synoniemen

        Hyperoniemen