Betekenis van:
target

target
Zelfstandig naamwoord
  • goal; dat waar je op richt; schatting v.e. mikpunt; mikpunt
  • the location of the target that is to be hit

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

target
Zelfstandig naamwoord
  • doel dat men door een reeks van handelingen ten slotte wil bereiken
  • the goal intended to be attained (and which is believed to be attainable)

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

target
Zelfstandig naamwoord
  • het dikke eind van een biljartkeu
  • sports equipment consisting of an object set up for a marksman or archer to aim at

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

target
Zelfstandig naamwoord
  • doelwit bij het schieten
  • sports equipment consisting of an object set up for a marksman or archer to aim at

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

target
Zelfstandig naamwoord
  • doeleinde
  • the goal intended to be attained (and which is believed to be attainable)

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

target
Zelfstandig naamwoord
    • a person who is the aim of an attack (especially a victim of ridicule or exploitation) by some hostile person or influence
    "the target of a manhunt"

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    target
    Zelfstandig naamwoord
      • a reference point to shoot at

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to target
      Werkwoord
      • afstellen
      • intend (something) to move towards a certain goal

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to target
      Werkwoord
      • (iets) naar een bepaald punt richten
      • intend (something) to move towards a certain goal

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to target
      Werkwoord
      • wijzen naar iemand die weggaat
      • intend (something) to move towards a certain goal

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to target
      Werkwoord
      • beogen
      • intend (something) to move towards a certain goal

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen