Betekenis van:
aanvoerder

aanvoerder (de ~ | meervoud aanvoerders)
Zelfstandig naamwoord
  • iemand die mensen aanstuurt
"de aanvoerder van een elftal"

Hyperoniemen

Hyponiemen

aanvoerder
Zelfstandig naamwoord
  • een bevelhebber, een leider

Voorbeeldzinnen

  1. George is onze team aanvoerder.
  2. Wij hebben John als onze aanvoerder gekozen.
  3. We hebben John als aanvoerder gekozen.
  4. Joko is de aanvoerder van de volleybalploeg.
  5. Militair aanvoerder van een buitenlandse gewapende groepering die actief is in de Democratische Republiek Congo, belemmert de ontwapening en de vrijwillige repatriëring en hervestiging van strijders, in strijd met Resolutie 1857 (2008) van de Veiligheidsraad, punt 4, onder (b), dispositief.
  6. Militair aanvoerder van een buitenlandse gewapende groepering die actief is in de Democratische Republiek Congo, belemmert de ontwapening en de vrijwillige repatriëring en hervestiging van strijders, in strijd met Resolutie 1857 (2008) van de Veiligheidsraad, punt 4, onder (b), dispositief.
  7. Politiek/militair aanvoerder van een buitenlandse gewapende groepering die actief is in de Democratische Republiek Congo, die de ontwapening en de vrijwillige repatriëring en hervestiging van strijders belemmert, in strijd met Resolutie 1857 (2008) van de Veiligheidsraad, punt 4, onder (b), dispositief.