Betekenis van:
hoofd

hoofd
Zelfstandig naamwoord
  • een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen en de meeste zintuigen bevinden
"Vroeger werden misdadigers van het hoofd ontdaan."
hoofd
Zelfstandig naamwoord
  • het hoogste of het voorste deel
"Aan het hoofd van de tafel stond een beeldje."
hoofd
Zelfstandig naamwoord
  • iemand die gezag heeft over anderen
"Hij is het hoofd van de afdeling."
hoofd
Zelfstandig naamwoord
  • een haaks op een rivieroever of kust aangelegde krib, dam, golfbreker of (wandel-) pier
"Op de hoofden zijn altijd wel hengelaars aan het vissen."