Betekenis van:
af
af
Bijvoeglijk naamwoord
- klaar, gereed.
"Het werk is nog lang niet af."
af
Bijwoord
- niet langer op of aan iets
"afwassen: hij waste de kopjes af"
af
Bijwoord
- niet langer op of aan iets
"De stank is er nog steeds niet af."
af
Bijwoord
- scheidbaar deel van vanaf
"Hij is van de weg af."
af
Bijwoord
- ''iets ~ zijn'' niet langer iets zijn
"Daarmee is hij politicus af"
Voorbeeldzinnen
- Amerika schafte slavernij af.
- Maak de zin af.
- We vragen ons af waarom.
- Ze ruimde de tafel af.
- Ze wees mijn verzoek af.
- Plotseling ging het brandalarm af.
- Woede tekende zich af op zijn gezicht.
- Alles hangt van de resultaten af.
- Hebt gij uw huiswerk al af?
- Zal ze het vandaag af kunnen krijgen?
- Geef de drie bladen samen af.
- Haal je handen van me af!
- Waarom wees je zijn aanbod af?
- De hond ging op de postbode af.
- Het programma sluit af met het volkslied.