Betekenis van:
afleggen

afleggen
Werkwoord
  • kleding etc. afdoen
"de toga afleggen"
"de sluier afleggen"

Hyperoniemen

afleggen
Werkwoord
  • een dode verzorgen
"een dode afleggen"

Hyperoniemen

afleggen
Werkwoord
  • van iets afnemen en het elders neerleggen
"iets van (een stoel) afleggen"

Hyperoniemen

afleggen
Werkwoord
  • huid, hoorns etc. verliezen
"kennelijk hebben de elanden hun gewei al afgelegd"

Hyperoniemen

afleggen
Werkwoord
  • afstand overbruggen
"Ik moest tien kilometer afleggen om thuis te komen."
afleggen
Werkwoord
  • ''~ tegen'': verliezen van
"Frankrijk legde het af tegen Nederland tijdens de voetbalwedstrijd."
afleggen
Werkwoord
  • doen, volbrengen
"een examen afleggen"
afleggen
Werkwoord
  • kapotgaan; uitgeput raken
"het afleggen tegen iemand"
"het afleggen"

Synoniemen

Hyperoniemen

afleggen
Werkwoord
  • het voorbereiden van de overledene(n) op de begrafenis
afleggen
Werkwoord
  • van het lichaam doen