Betekenis van:
afscheiding

afscheiding (de ~ | meervoud afscheidingen)
Zelfstandig naamwoord
  • het voorwerp dat ruimten of voorwerpen van elkaar scheidt
"de sloot vormt een natuurlijke afscheiding tussen de weilanden"
"een afscheiding tussen [boer Jansen en boer De Vries]"

Hyperoniemen

Hyponiemen

afscheiding (de ~ | meervoud afscheidingen)
Zelfstandig naamwoord
  • het afscheiden
"De lichaamseigen stof gastrine speelt een rol bij de afscheiding van maagsap."

Hyperoniemen

Hyponiemen

afscheiding (de ~ | meervoud afscheidingen)
Zelfstandig naamwoord
  • uittreding uit gemeenschap
"afscheiding van [iets]"

Hyperoniemen

afscheiding
Zelfstandig naamwoord
  • wat afgescheiden wordt, wat uiteen gaat
"De afscheiding van melk hield op toen het jong gespeend werd."
afscheiding
Zelfstandig naamwoord
  • datgene wat zaken scheidt
"Ze brachten een afscheiding aan tussen de twee delen van de weide."
afscheiding
Zelfstandig naamwoord
  • het uiteengaan van twee organisaties of staten
"De spanningen in het koninkrijk van Willem I leidden tot een afscheiding."