Betekenis van:
agent

agent (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • iem. zonder bepaalde titel of rang in diplomatieke of politieke dienst
"De ambassade wordt bijgestaan door de consulair agent uit Male."
"De twee agenten van de Amerikaanse ambassade"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

agent
Zelfstandig naamwoord
  • een persoon die belast is met de handhaving van de openbare orde en veiligheid
"De agent deelde een bekeuring uit aan de wildplassers."
agent
Zelfstandig naamwoord
  • een vertegenwoordiger van een bedrijf
"Hij ging naar de agent die zijn bankzaken regelde."
agent (de ~ | meervoud agenten)
Zelfstandig naamwoord
  • iemand die aan winkels verkoopt; vertegenwoordiger v.d. bedrijf; vertegenwoordiger
"een agent van de verzekeringsmaatschappij"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

agent (de ~ | meervoud agenten)
Zelfstandig naamwoord
  • ambtenaar van de politie
"oom agent"
"een geheim agent"

Synoniemen

Hyperoniemen

agent
Zelfstandig naamwoord
  • iem. die een onderneming of vereniging vertegenwoordigt

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

agent
Zelfstandig naamwoord
  • iem. die voor artiesten, beroepssportlui enz. zakelijke belangen behartigt

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen