Betekenis van:
baar
baar (de ~ | meervoud baren)
Zelfstandig naamwoord
- draagtoestel, draagbaar, met name lijkbaar
"in defilé trok men langs de baar van de vorst"
"op een baar"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
baar
Zelfstandig naamwoord
- een kleine verhoging of onderstel, waarop een doodskist wordt opgebaard of gedragen
baar
Zelfstandig naamwoord
- een staaf edelmetaal
baar
Zelfstandig naamwoord
- ''meestal in meervoud'' golf op zee
baar
Bijvoeglijk naamwoord
- onvermengd
"baar geld"
"een bare leugen"
Synoniemen
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Ik zou met baar geld willen betalen.
- Een syndicaatslening die bepaalt dat de debiteur de geldgever mag laten aflossen in ruil voor een uitstaande lening, is slechts beleenbaar onderpand voor krediettransacties van het Eurosysteem, op voorwaarde dat de tegenpartij vóór de mobilisatie de desbetreffende NCB een afdwingbaar zekerheidsrecht verleent op het recht van de tegenpartij om baar geld te ontvangen voor deze aflossing.