Betekenis van:
bang
bang
Bijvoeglijk naamwoord
- angst hebbend
"Wat is hij toch een bange wezel."
Voorbeeldzinnen
- Ik ben niet bang.
- Ik ben niet bang.
- Ik ben bang voor aardbevingen.
- Ik ben niet meer bang.
- Ik ben van niets bang.
- Mary is bang voor spinnen.
- Ze was bang voor de hond.
- Ik was bang dat je gefaald had.
- Hij is bang voor de zee.
- De katten zijn bang voor water.
- Waarom zijn mensen bang voor jou?
- Ze zijn niet bang van de dood.
- Ik ben bang dat het gaat regenen.
- Hij is bang fouten te maken.
- Hij is bang voor de honden.