Betekenis van:
begaan

begaan
Werkwoord
  • (iets kwaads, nadeligs) doen
"een misdaad/fout/zonde begaan"
"een flater begaan"

Synoniemen

Hyperoniemen

begaan
Werkwoord
  • iets doen dat onjuist of verboden is
"Hij beging daarmee een grote vergissing."
begaan
Werkwoord
  • een plaats betreden
"Je begaat daarmee wel glad ijs."
begaan
Werkwoord
  • treden in of op iets; zijn gang gaan
"iemand laten begaan"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

begaan
Bijvoeglijk naamwoord
  • gepleegd.
"De begane overtreding wordt bestraft met een boete."
begaan
Bijvoeglijk naamwoord
  • waarover men gewoonlijk loopt, de verdieping die op straatniveau ligt
"We liepen op de begane grond."
begaan
Bijvoeglijk naamwoord
  • emotioneel betrokken
"Hij was begaan met het lot van de vluchtelingen."
begaan
Bijvoeglijk naamwoord
  • barmhartig; vol medeleven
"begaan zijn met iemand(s lot)"

Synoniemen

Hyperoniemen