Betekenis van:
bezoek
bezoek (het ~ | meervoud bezoeken)
Zelfstandig naamwoord
- visite; het langsgaan bij iemand thuis
"een bezoek brengen aan iemand/iets"
"een bezoek aan [iets/iemand]"
Synoniemen
Hyperoniemen
bezoek
Zelfstandig naamwoord
- het bezoeken
"Zij gingen even een bezoek afleggen."
bezoek
Zelfstandig naamwoord
- de personen die op visite zijn of komen
"Ik kreeg zeer veel bezoek op mijn verjaardag."
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Ik ben bij Dan op bezoek geweest.
- Ik bezoek hem om de twee dagen.
- Ik bezoek mijn grootmoeder in het ziekenhuis.
- Ik was blij met haar onverwacht bezoek.
- Zwitserland is een prachtig land, dat een bezoek verdient.
- Waarom kom je niet bij ons op bezoek?
- We zijn van plan om morgen bij meneer Smith op bezoek te gaan.
- Bezoek aan familie of vrienden
- Bezoek van handels- en internationale vertegenwoordigers
- Elk bezoek zal twee tot drie dagen duren.
- Dit actieplan werd opgesteld om de tijdens het bezoek geconstateerde veiligheidstekortkomingen aan te pakken.
- Vertegenwoordigers van de lidstaat waar het bezoek plaatsvindt, mogen aanwezig zijn bij de controles.
- De Italiaanse autoriteiten organiseerden eveneens een bezoek ter plaatse aan een militaire basis.
- UCA heeft op 10 juni documenten voorgelegd met betrekking tot de tijdens het bezoek gedane bevindingen.
- Vertegenwoordigers van de lidstaat waar het bezoek plaatsvindt, mogen de controles bijwonen.