Betekenis van:
bezoek

bezoek (het ~ | meervoud bezoeken)
Zelfstandig naamwoord
  • visite; het langsgaan bij iemand thuis
"een bezoek brengen aan iemand/iets"
"een bezoek aan [iets/iemand]"

Synoniemen

Hyperoniemen

bezoek
Zelfstandig naamwoord
  • het bezoeken
"Zij gingen even een bezoek afleggen."
bezoek
Zelfstandig naamwoord
  • de personen die op visite zijn of komen
"Ik kreeg zeer veel bezoek op mijn verjaardag."
bezoek (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • bezoek; personen op bezoek; mensen die bij iemand langsgaan
"ongewenst bezoek"
"hoog bezoek"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord