Betekenis van:
blijken

blijken
Werkwoord
  • ''~ te zijn'' uit iets duidelijk (geworden) zijn
"Hij bleek vroeger in Nederlands Nieuw-Guinea geweest te zijn."
blijken
Werkwoord
  • uit iets duidelijk (geworden) zijn
"Het huis bleek veel te groot."
blijk (het ~ | meervoud blijken)
Zelfstandig naamwoord
  • iets waaruit juistheid blijkt; bewijs; bewijs; blijk waaruit men het bestaan of de juistheid van iets kan opmaken; verklaring als getuige
"een blijk van [dankbaarheid]"
"als blijk van [vertrouwen/waardering/medeleven]"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. Conformiteit moet blijken uit ontwerptoetsing.
  2. andere documenten waaruit handels- of dienstbetrekkingen blijken;
  3. Oproep tot het indienen van blijken van belangstelling
  4. documenten waaruit de zakelijke activiteiten van de onderneming blijken;
  5. Oproep tot het indienen van blijken van belangstelling
  6. Bovendien blijken de investeringen in de periode tussen 2003 en het onderzoektijdvak aanmerkelijk te zijn gedaald.
  7. De producenten blijken bijgevolg de eindbegunstigden van deze steunmaatregel te zijn.
  8. Deze twee monsters worden door de laboratoria bewaard voor eventuele latere controles die noodzakelijk mochten blijken.
  9. Uit deze verklaring moet blijken dat aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:
  10. een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling aan financiële intermediairs of stadsontwikkelingsfondsen;
  11. de maatregelen in dit hoofdstuk niet voor de epizoötiologische situatie geschikt blijken,
  12. gegevens waaruit de kosten van de voorgenomen maatregel voor de begroting blijken.”.
  13. de belangrijkste kenmerken van de dienst wanneer deze niet uit de context blijken;
  14. Binnen deze overschrijding blijken de drempels voor Italië, Portugal en Cyprus te zijn overschreden.
  15. De corrigerende effecten voor de Sardijnse markt blijken veeleer beperkt te zijn.